jeroengeurts

Jeroen Geurts is neurobioloog bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en is naast een succesvol onderzoeker ook actief promotor van wetenschap. Hij schreef twee populair-wetenschappelijke boeken en is oprichter van stichting Brein in Beeld waarmee hij hersenwetenschappers wil stimuleren om te praten met het publiek. Onderstaande column schreef hij eerder voor het tijdschrift Psyche&Brein.

“Hoe zou je de visboer op de hoek uitleggen hoe het brein werkt?” werd mij laatst gevraagd. Interessante vraag. De impliciete vooronderstelling is natuurlijk dat de visboer (als voorbeeld van de geïnteresseerde, maar niet ingewijde leek) waarschijnlijk nogal wat moeite zal hebben met het verteren van complexe informatie over cognitieve stoornissen, veranderingen in functionele en structurele connectiviteit of neuronale disfunctie. Mijn ervaring is echter dat de visboer daar doorgaans helemaal geen moeite mee heeft: na twee zinnen legt hij aan míj uit hoe het zit!

Hersenen spreken erg tot de verbeelding de laatste jaren. Al die kleurige plaatjes van oplichtende grijze massa, de spraakmakende experimenten en de steeds groter wordende stapel populairwetenschappelijke hersenboeken die ingewikkelde informatie verpakken in hapklare brokken, maken het vak uitstekend toegankelijk voor het bredere publiek. Iedereen praat tegenwoordig over hersenen. Dat stemt mij als hersenonderzoeker in principe natuurlijk gelukkig: ik vind hersenen zelf ook fascinerend en deel die fascinatie graag met anderen. Het populariseren van wetenschappelijk bevindingen is ook belangrijk: we investeren zo gezamenlijk in een laagdrempelige kenniseconomie.

Het overbrengen van onderzoeksinformatie is het probleem dus niet zo. Of het overbrengen van die informatie op de juiste wijze gebeurt, is echter een andere vraag. Wetenschap is een vak van twijfel en nuance. Onze bevindingen gelden voor de groep die we hebben onderzocht, gelimiteerd door de condities die golden tijdens het experiment, en met in acht neming van potentiële bias (onzuiverheid) die op allerlei manieren mogelijk in de resultaten kan worden geïntroduceerd. Er komt dus nogal wat zorgvuldige interpretatie om de hoek kijken bij het analyseren van onderzoeksdata. Wetenschappers onderwerpen elkaar dan ook aan strenge kwaliteitsregels via het zogenaamde ‘peer review systeem’. Ze toetsen elkaar op redeneerfouten of mogelijke fouten in de opzet van hun studies. Maar wie toetst de auteurs van populairwetenschappelijke boeken? Het peer review systeem wordt niet toegepast in het publieke domein en auteurs kunnen dit platform dus gebruiken als een podium voor hun eigen overtuigingen. Dat is niet zozeer een punt zolang hun werk als opinie wordt verkocht en niet als wetenschap. Maar soms lijken de auteurs zich zelf niet zo bewust van dat onderscheid en verkopen ze wetenschap die vertekend is door hun eigen voorkeuren. Daar ontstaat het echte probleem.

De visboer zal mij wellicht vol overtuiging voor de voeten werpen dat alles voor ons mensen is vastgelegd in de baarmoeder en ‘dat wij ons brein zijn’. Hij heeft kennelijk Dick Swaab thuis op de plank liggen. “Welke experimenten rechtvaardigen die uitspraken nou echt en wie zijn ‘wij’ in die zin?” zou ik hem kunnen vragen, maar in die nuances voorziet het boek dat hij gelezen heeft niet en dus houdt daar de conversatie op. Dat is jammer, want dan wordt het eigenlijk pas echt wetenschappelijk interessant.

We zijn als hersenonderzoekers heel goed in staat om het publiek voor ons vak te interesseren, maar leveren niet het bijbehorend gereedschap om die informatie op de juiste wijze te interpreteren. Bij de geïnformeerde leek is inmiddels een soort deterministische, soms zelfs fatalistische, neiging ontstaan om ingewikkelde begrippen als vrijheid en bewustzijn regelrecht vanuit hersenprocessen te verklaren. Ze nemen daarmee de overtuigingen over van sommige populaire auteurs, maar zijn niet in staat om die overtuigingen kritisch tegemoet te treden. En er is nogal wat kritiek op die overtuigingen mogelijk.

De vraag die aan het begin gesteld werd ten aanzien van de geïnteresseerde visboer is hiermee zojuist een stukje complexer geworden. De moderne neurowetenschapper kan niet volstaan met het zenden van informatie; hij zal moeten toetsen hoe de informatie aankomt en hij moet de verantwoordelijkheid nemen om het gesprek aan te gaan met zijn publiek. Pas dan wordt er echt serieus in publiekseducatie geïnvesteerd. Tot die tijd doen we vooral aan ‘neuro-entertainment’.

Noot van de redactie: door veel commentaar op zijn column schreef Jeroen Geurts een vervolg, “Fijn zo’n verleidelijk Brein”.