Wie een paar dagen RTL Boulevard of de achterklappagina op nu.nl volgt, weet: sterren hebben moeite met monogamie. Ook binnen de eigen vriendenkring en familie is niet elke relatie voor eeuwig. Toch zijn mensen in vergelijking met het gros der beesten een zeer monogame diersoort. De meeste dieren in een langdurige relatie nemen het niet zo nauw met hun trouw. Wanneer ze daar de kans voor krijgen, pissen ze zonder wroeging buiten het potje. Waarom zou je als jonge en gewilde haai, antilope, gier, kever of pinguïn je kaarten zetten op één partner? Toch zijn er goede biologische redenen voor monogamie. Met mijn eigen huwelijk in aantocht wil ik daar eens een column aan wijden.

De meeste mannetjes in het dierenrijk houden zich aan het adagium: hoe meer ik mijn zaad succesvol weet te verspreiden, hoe meer nakomelingen mijn genetische informatie dragen. Meer nakomelingen betekent meer kans op evolutionair succes en daar is het, zij het niet bewust, allemaal om te doen binnen de biologie. Vraag het de leeuw met zijn harem of de dolfijn, die er wel pap van lust. Binnen het dierenrijk is monogamie dan ook een zeldzaamheid, of het nu gaat om een éénbroedseizoensrelatie of een band voor het leven.

Waarom beginnen mannetjes überhaupt aan een langdurige verbintenis met een vrouwtje? Twee hypotheses zijn binnen de biologie leidend: bij de bewaak-hypothese gaat men ervan uit dat een poes die na het paren verlaten wordt door een kater, vrij snel daarna met een andere kater paart. Dat is onwenselijk in een situatie waar ontvankelijke vrouwtjes schaars zijn. Er zijn garnalensoorten waarbij het mannetje, die niet doet aan broedzorg, langdurig bij het vrouwtje blijft als er binnen de populatie minder vrouwtjes zijn, maar veel korter bij een vrouwelijk overschot.

De tweede hypothese is de opvoed-hypothese, waarbij mannetjes een actieve rol in de opvoeding van hun kroost op zich nemen, en hiermee de overlevingskans van zijn nakomelingen vergroot. Dit speelt een rol bij mensen, zeepaardjes en in het bijzonder bij vogels, waar de mannetjes kunnen broeden en voeden. Vogels zijn dan ook de dieren waar monogamie het meeste voorkomt. Wie vindt twee zwanen in een vijver niet het toonbeeld van romantiek?

De werkelijkheid is echter minder rooskleurig. Veel vogelsoorten grijpen de kans om zo nu en dan vreemd te gaan met beide vleugels aan. Dit wordt extra-pair copulation genoemd. En wie nu denkt dat alleen mannetjes het eeuwig samenzijn frustreren, komt bedrogen uit. Ook vrouwtjes hebben goede redenen om een vrijer te verwelkomen. Bijvoorbeeld een grotere kans op bevruchting, want je krijgt sperma van verschillende kwaliteiten; of meer kans op genetische variatie, waarmee bijvoorbeeld inteelt voorkomen kan worden; of toestemming om voedsel te zoeken in het territorium van de minnaar. Het blijkt dat bij sommige zangvogels meer dan 50% van de kuikentjes uit buitenechtelijke copulaties voortkomen. Biologen hebben dan ook de neiging te denken dat echte monogamie niet bestaat.

Is dit het einde van de mythe van de monogamie? Neen, er zijn dieren die voor altijd bij elkaar blijven en ons kunnen doen geloven in eeuwige liefde. Dat is niet de zoetsappige zwaan; we moeten het zoeken bij een vogel zonder romantische connotatie, de Amerikaanse zwarte gier. Uitgebreid DNA-onderzoek toonde aan dat alle ouders ook echt de ouders van de kuikens waren die ze opvoedden. Zo kreeg deze vogel het stempel: strikt monogaam. De volgende keer als in een western de gieren boven een dorstige cowboy cirkelen, denk dan eens aan de huwelijkse trouw.