Harde wetenschappelijke waarheid is het nog niet, maar het maakt de wetenschappelijke blogtongen al los. M. Keith Chen, een econoom van Yale University, betoogt dat de taal die iemand spreekt invloed heeft op zijn spaargedrag en leefstijl. In sommige talen, zoals het Duits, mag je over de toekomst spreken in tegenwoordige tijd: “Morgen gibt es Fisch”. Als er in een taal tussen de tegenwoordige tijd (“ll fait froid, aujourd’hui”) en de toekomende tijd “Il fera froid demain”) een grammaticaal verschil zit, onderschatten de sprekers ervan de waarde van toekomstige beloningen. Dat verschil leidt volgens Chen tot ‘minder toekomstgericht gedrag’: dus tot roken, ongezond eten en weinig sparen.

Zo’n allesomvattend, levensloopbepalend verband riekt meer naar astrologie dan naar wetenschap. Het is ook nog geen wetenschap. Op dit moment wordt het artikel voor de tweede keer ingediend bij het beste economentijdschrift dat er bestaat, The American Economic Review. Dat kan alleen als er minstens één van de reviewers brood in het artikel ziet. Als de nieuwe versie door de selectie van zo’n goed tijdschrift komt, is het groot nieuws.

Die laatste zin – zoomt u mee uit naar het taalkundige niveau ervan – beschrijft een mogelijke toekomstige gebeurtenis, maar in de tegenwoordige tijd: het “is” groot nieuws. Nederlands valt dus in de groep die het heden en de toekomst met dezelfde werkwoordsvorm uit kan drukken. De grammaticale nabijheid van de toekomst zorgt ervoor dat sprekers van die talen hun toekomstige zelf als dichterbij ervaren. Chen laat zien dat, gecorrigeerd voor het land waarin ze wonen, de sprekers van de ‘nabije’ taalgroep 30% vaker zeggen te sparen, 30% minder kans lopen om lichamelijk inactief te zijn, en 13% minder kans op obesitas hebben. En dan rookt die andere groep ook nog vaker.

Kijk, dat is toepasbare wetenschap. Kennis, kunde, kassa: dwing Amerikaanse dikkerdjes om Frans te leren en ze vallen af; dwing Grieken om Duits te spreken, dan sparen ze misschien wat meer. Maar wat schort er aan dit artikel, waarom vertrouw ik deze Yale-econoom niet op zijn conditionele logitmodel? Het lijkt een nette analyse. Er is gecorrigeerd voor opleidingsniveau, inkomen, religie en levenshouding. De verbanden houden niet alleen stand op landsniveau, maar ook binnen tweetalige landen, zoals België en Zwitserland. Het artikel is meeslepend maar zorgvuldig geschreven en Chen wijst erop dat we niet kunnen uitsluiten dat het verband een onderliggend cultuurkenmerk reflecteert.

Toch- ik geloof hem niet. Het artikel spookt door mijn hoofd alsof het een flauw raadseltje is waarvan ik de oplossing over het hoofd zie. Is de classificatie van talen niet te vergezocht? Is de analyse misschien te simpel voor het probleem? Deels berust die op binaire data, op of iemand gespaard heeft in plaats van op hoeveel iemand gespaard heeft. Als je alle mogelijke taalkundige tweedelingen bekijkt, zijn er vast meer te vinden die overeenkomen met een interessante karaktertrek van de sprekers. Tussen het spreken van een tonale taal, zoals Chinees, en een voorkeur voor hondenvlees bestaat vermoedelijk ook een correlatie, maar daarvan probeert niemand de causaliteit uit te pluizen. Of staat het me tegen omdat het te mooi klinkt om waar te zijn, zo’n intuïtief verband tussen het economische concept van intertemporele beslissingen, taal en de echte wereld van pensioenen en gezondheid?

De oude Grieken zagen zichzelf met hun rug naar de toekomst staan en met hun gezicht naar het verleden. Terecht: het verleden kun je zien, de toekomst overvalt je. Zie met zo’n wereldbeeld maar eens toekomstgerichte beslissingen te maken.