Varkens op het dak, families die courgettes verbouwen in stadsparken, pandanrijstvelden in het Groene Hart- hartstochtelijk werden deze ‘realistisch-utopische oplossingen zonder knipoog’  afgelopen week bepleit voor het Voedseltribunaal. Stroom Den Haag, een kunststichting die graag het debat opzoekt, wilde met het tribunaal het voedselprobleem aankaarten. We zijn met te veel, en eten te veel om ook in 2050 nog toe te kunnen met één planeet. Toch zag de jury de etende consument niet als schuldige, maar juist als de oplossing van het voedselprobleem.

Dat er een voedseltekort ontstaat is zeker. Maar kunnen we dat lokaal oplossen? Door allemaal een varken te houden of een courgette te kweken, lossen we hooguit onze hang naar ‘eerlijk’ voedsel op, maar niet het wereldvoedselprobleem. De enige echt realistisch-utopische oplossing werd geopperd door Lynn Zebeda van de Worldconnectors. Zij bepleitte het True Price Initiative, waarin de prijs van producten weerspiegelt wat het echt kost om ze te produceren. Nu kantelen we de energie-, water-, en vervuilingskosten af op de omgeving, en daarmee op onszelf in de toekomst. Als ook die onzichtbare kosten aan ons doorberekend zouden worden, snijdt het True Price-mes aan twee kanten. Ten eerste vindt er een verschuiving in ons consumptiepatroon plaats naar efficiëntere (goedkopere) producten. Daarnaast komt er ook voor de producenten meer druk op het verminderen van die omgevingskosten:  you can’t manage what you don’t measure.

Energieslurpende etenswaren

Dat klinkt realistisch, maar het ‘utopische’ aan dit idee is dat de consument vrijwillig meer zou moeten gaan betalen voor energieslurpende etenswaren zoals biefstuk. Een bij het tribunaal aanwezige vertegenwoordiger van de supermarktenbranche wilde de jury overtuigen van de onmogelijkheid daarvan. Consumenten bepalen hun keuze in de eerste plaats op basis van smaak, vervolgens op veiligheid en prijs; maar duurzaamheid, zei hij, komt pas helemaal onderaan bij de gemiddelde consument.

Eigengereide consumenten

Even leek het alsof het toch de schuld was van ons, eigengereide consumenten, dat er onder onze ogen een voedselprobleem ontstaat. Het is echter de vraag of het een consument aangerekend mag worden dat hij geen rekening houdt met wat hij niet weet. We vergelijken twee soorten broodbeleg niet op duurzaamheid, omdat we dat niet kunnen. Voor de smaakverschillen tussen de pindakaas van Calvé en van Albert Heijn huismerk hebben we smaakpapillen, voor veiligheid vertrouwen we op keurmerken en hygiënevoorschriften, maar een zintuig voor duurzaamheid hebben we niet. Zelfs de meest goedwillende consument heeft geen idee hoe het transportverbruik van boontjes uit Kenia zich verhoudt tot het energiegebruik van boontjes uit de Nederlandse kassen.

Het doorrekenen van die kosten vergt heel wat samenwerking, maar onmogelijk is het niet. In andere landen wordt al geëxperimenteerd met soortgelijke duurzaamheidsgetallen. Tesco, een Brits supermarktconcern, vermeldde op een groot aantal verpakkingen de carbon footprint: een voetje met een getal erin dat aangeeft hoeveel CO2 er voor dat product uitgescheiden is. Dat is een goede eerste stap op weg naar de ‘true price’: eerst de footprint zelf laten zien, dan de kosten ervan, en vervolgens deze kosten doorberekenen aan de consument. Voordat we de consument de schuld, de oplossing of de slachtofferrol toebedelen bij het wereldvoedselprobleem, moet hij de kans krijgen zijn stem te doen gelden. Jurylid Agnes van Ardenne liet zich het oordeel van het tribunaal al tijdens de discussie ontvallen: “De Nederlandse consument staat in de kou.”