CasperHoogenraad

Casper Hoogenraad is hoogleraar bij de bètafaculteit in Utrecht waar hij het transport van moleculen in zenuwcellen bestudeert. Op 1 februari hield hij zijn oratie, samen met Prof. Anna Ahkmanova, met wie hij de afdeling Celbiologie bestiert. Hiervoor was hij universitair hoofddocent bij de afdeling Neurowetenschappen van het Erasmus MC, waar ik in 2008 bij hem promoveerde. Sinds 2011 is hij lid van De Jonge Akademie en ik heb die mogelijkheid genomen hem eens goed aan de tand te voelen.


De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?

Ehm… (er volgt een lange stilte), interessante vraag. Over de knie… nooit? Wat heel zwaar was de afgelopen tijd, was de verhuizing van mijn onderzoeksgroep van Rotterdam naar Utrecht deze zomer. Daar komt veel bij kijken en dat levert hectische situaties op. Dat moet je niet te vaak doen als onderzoeksgroep, en ik hoop ook dat dit niet snel nog een keer gebeurt. Maar verder maak ik me over het algemeen niet zo snel druk. Het heeft ook geen zin want meestal komt het uiteindelijke toch wel weer goed. Zo ook deze verhuizing.

Wat gaat u morgen doen? Heeft u er zin in?

Ik heb er altijd zin in, ik ga iedere dag met plezier naar het laboratorium. Ik heb een positieve instelling, maar dat heb je in de wetenschap ook wel hard nodig. Er gaan genoeg experimenten mis en als je te veel gaat stressen dan hou je het niet heel lang vol.

Morgen wordt ook weer een leuke afwisselende dag. Ik begin met onze wekelijkse vrijdagochtend-werkbespreking. We hebben hiervoor een nieuwe structuur: één AIO of postdoc bereidt een presentatie voor over zijn/haar onderzoek, en daarna mag iemand anders uit de groep spontaan de nieuwe onderzoeksresultaten vertellen. Om dit te stimuleren krijgt degene die het ‘coolste’ experiment heeft gedaan die week een balletje, om de volgende week tafelvoetbal te kunnen spelen. Verder heb ik morgen een gesprek met een vrouwelijke onderzoeker voor het project “Mentoring en coaching voor vrouwen in de wetenschap” van de universiteit Utrecht. Met dit programma wil men talentvolle vrouwen begeleiden in een succesvolle carrière in de wetenschap. Ik sluit de dag af met een praatje van Ira Mellman, een hele beroemde, al wat oudere celbioloog, die een lezing komt geven. Hij heeft een tijd geleden de overstap gemaakt van de Universiteit naar het bedrijfsleven.

Waar gaat uw volgende publicatie over?

Over het transport van mitochondriën, de energiefabriekjes van de cel. In hele grote cellen, zoals zenuwcellen, is het nog steeds niet goed duidelijk hoe transport van moleculen en organellen precies werkt. Zo ook mitochondriën, die moeten zowel in de lange uitlopers (de axonen) als de kortere uitlopers (de dendrieten) terecht komen. Wij hebben nu twee eiwitten gevonden die mitochondriën aan de transportmoleculen koppelen om dat transport mogelijk te maken. Die eiwitten lijken heel erg op elkaar, maar zijn toch nét verschillend genoeg om de mitochondriën of de ene of de andere uitloper in te sturen. Ik vind dit zelf heel spannend onderzoek, dus ik hoop dat deze resultaten snel gepubliceerd kunnen worden.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of in de methodes die u gebruikt? Hoe draagt u bij aan de innovatie in uw vakgebied?

Onze groep is innovatief vanwege de technieken die we gebruiken. De innovatie zit in de technologische ontwikkelingen, die we daarna toepassen op biologische vraagstukken, met andere woorden “Advanced Technology” and “Modern Biology” dus. Ook andere technieken die nu veelvuldig worden toegepast in het onderzoek, zoals het fluorescente eiwit GFP, zijn ontwikkeld omdat een wetenschapper een slimme oplossing bedacht om een biologische vraag te beantwoorden. Bij de meeste biologische onderzoeksgroepen is vernieuwende technologie de manier om onderscheidend te zijn. Bij ons begon het een aantal jaar geleden met het kweken en in leven houden van zenuwcellen, dat toen in Nederland nog vrij nieuw was. Vervolgens hebben we hard gewerkt om de moleculen in de zenuwcellen met behulp van geavanceerde microscopie te visualiseren.

Maar hoe goed je microscoop ook is, je kunt structuren die kleiner zijn dan 200 nm niet waarnemen, omdat dan de golflengte van licht beperkend wordt. Dit proberen we te omzeilen met “superresolutie microscopie”. Dit kun je je voorstellen met een kerstboom: als alle lampjes aan zijn, zie je van een grote afstand maar één lichtbron. Als deze lampjes nu allemaal met een andere frequentie knipperen, zie je wél dat het verschillende lampjes zijn. Dit proberen we ook met fluorescente moleculen die van groen naar rood “knipperen”, waardoor de resolutie van wat je kunt waarnemen een factor 50 groter wordt. Met deze nieuwe techniek hopen we in de toekomst transportnetwerken in zenuwcellen met nog grotere nauwkeurigheid bloot te leggen.

Waarvan zie je dat het mensen belemmert, wat moet er veranderen in de wetenschap, en heb je tips?

Een tip voor het huidige kabinet: voer het nieuwe beleid, nu geïmplementeerd in de topsectoren, NIET uit! Iets genuanceerder: er is helemaal niets mis met samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven, maar het gaat te geforceerd in de topsectoren, en het bedrijfsleven hoeven ons niet te vertellen wat voor onderzoek we moeten gaan doen. De bedrijven hebben hun eigen R&D en de universiteiten zijn er fundamentele vragen te stellen en om goede onderzoekers op te leiden. Wat ook een belemmering is, is dat je als wetenschapper projecten van maximaal 4-5 jaar kunt aanvragen. Er is nauwelijks ruimte voor investering in lange-termijn onderzoek, alles gaat nu zo’n beetje hap-snap, echter in verschillende Europese landen zijn er al beurzen voor 10 jaar. Om dit soort veranderingen te bereiken moeten wetenschap en politiek beter communiceren. De bestuurders spreken wel met de de politiek, maar die weten vaak niet goed meer wat er in de specifieke vakgebieden gebeurt en waar de wetenschappelijke vernieuwing plaatsvindt. Alles moet via veelvuldig bediscussieerd worden in beleidsstukken en vergaderingen, en dat duurt veel te lang. Gelukkig is De Jonge Akademie hiermee bezig: wij, de “jonge” wetenschappers, kunnen nu ook aanschuiven bij de politiek en hebben een stem. Wij beslissen ook veel sneller en zo kunnen we makkelijk als “groep” ons gezicht laten zien in een TV-programma, of in een open brief in de krant. Ik weet zeker dat uit deze groep jonge energieke wetenschapper nog veel goeds gaat komen.

U bent nu professor. Welke bijdrage hoopt u nog te leveren?

Wetenschappelijk gezien: begrijpen hoe het brein werkt en begrijpen hoe we dingen leren en informatie onthouden. Maar dat is natuurlijk wel erg breed ingezet. Verder wil ik vooral ook een gezonde afdeling Celbiologie opzetten en studenten opleiden tot top-onderzoeker.

Ik zou ook graag bereiken dat politici en huidige bestuurders meer met jonge wetenschappers in gesprek gaan. Wij moeten in de toekomst zorgen voor innovatie en zijn straks verantwoordelijk voor de kenniseconomie van dit land, naar ons moet ook geluisterd worden. En waarom wachten totdat wetenschappers bestuurlijke functies bekleden? Op dit moment staan we met onze voeten in de aarde en weten we heel goed hoe de tuin er volgt seizoen uit moet komen te zien. Maar ook de jonge wetenschappers zelf moeten uit hun ivoren toren komen. Ook zij moeten meer afstand nemen van hun experimenten en proberen hun wetenschappelijke bijdrage in een bredere, maatschappelijke context te plaatsen. Alleen dan kunnen we de samenleving bereiken en begrijpt de belastingbetaler uiteindelijk ook waarom er niet nog een bezuinigingsronde overheen kan gaan. Ik vermoed dat dit uiteindelijk wel goed komt, zeker nu er zoveel initiatieven zijn om wetenschap dichter naar de maatschappij te brengen, maar het kost tijd. Ik zou ook graag zien dat de wetenschapsjournalistiek zich meer op kinderen richt. Het verbaast me bijvoorbeeld dat in het Jeugdjournaal nooit wetenschappelijke ontdekkingen worden behandelt. Dat is zonde, kinderen zijn onze toekomstige onderzoekers en professoren, die moeten we nu al enthousiast maken.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Ik ben hoogstwaarschijnlijk te vinden op een honkbalveld, een hockeyveld of in een zwembad bij één van mijn (4) kinderen. En ik denk wel aan mijn onderzoek, de laatste resultaten en vervolgexperimenten. Zo’n sportwedstrijd werkt behoorlijk ontspannend, waardoor ik de tijd heb bepaalde dingen nog eens te overdenken. En zeg nou eerlijk, heel spannend is een voetbalwedstrijd van een vijfjarige niet. Maar dat schrijf je niet op, toch?

Interview door Eva Teuling