erikkwakkel

Erik Kwakkel van het Leids Universitair Instituut voor Culturele Disciplines doet onderzoek naar de vorm van het middeleeuwse boek en leidt een Vidi-project dat zich richt op haar ontwikkeling tussen 1075 en 1225. Hij is geïnteresseerd in de relatie tussen vormvernieuwing en intellectuele veranderingen, bijvoorbeeld in het middeleeuwse onderwijs.

Als je niet weet wanneer iets gebeurde, mag je het dan een historische gebeurtenis noemen? Wat moet je als historicus met informatie in een bron die niet is gedateerd? Stel dat er vermeld wordt hoe een hoogwaardigheidsbekleder is vermoord, dat hij door een messteek om het leven kwam, en dat de moordenaar student was. Details in overvloed, doch datumloos blijft de gebeurtenis betekenisloos. Een potentieel historisch hoogtepunt dat vrij door de tijd zweeft devalueert tot banaal gebeuren: een moord is een moord – en niet meer.

Voor de historische disciplines die zich richten op de Middeleeuwen zijn er veel van zulke ongedateerde bronnen. Vanaf circa 1500, als de Middeleeuwen officieel net voorbij zijn, weet de historicus zich verzekerd van precieze informatie omtrent het moment waarop een bron werd geproduceerd. Vanaf toen werd de datum namelijk op de eerste bladzijde, de titelpagina, van het boek gemeld. Maar wat gedaan met objecten van vóór de uitvinding van deze pagina, de duizenden met de hand geschreven middeleeuwse boeken die zijn bewaard? Deze zijn in principe niet gedateerd. Hoe kun je geschiedenis schrijven met zoveel door de tijd zwevende informatie? Het antwoord op deze vraag is bedrieglijk eenvoudig: door te leren dateren.

Om een middeleeuwse bron te dateren kijk ik als paleograaf, specialist van middeleeuws schrift, heel precies naar de vorm van letters. Iemand die met een pen informatie aan perkament of papier toevertrouwde deed dat, net zoals wij, op zijn eigen, unieke wijze. Zoals wij instinctief een handgeschreven brief van een naaste herkennen, binnen een seconde en van een meter afstand, zo had een middeleeuwse kopiist ook bepaalde trekjes in zijn schrift waarmee hij zich van anderen onderscheidde. Bij het dateren gaat het opmerkelijk genoeg niet om zulke individuele eigenaardigheden doch juist om de generieke: de constanten die een individuele kopiist deelt met zijn tijdgenoten. De paleograaf herkent het schrift van een individu als een wijze van schrijven die aan een bepaald moment kan worden gerelateerd. Met oordelen als ‘vroeg dertiende eeuw’ of ‘midden veertiende eeuw’ verankert hij geschreven informatie in de tijd.

2. Hoc uitsnede

Vroeg 12e eeuw, letters ‘zoenen’ nog niet

Een van de grootste uitdagingen voor de discipline die het middeleeuwse schrift bestudeert, wordt gevormd door pogingen om zulke gevoelsmatige dateringen, intuïtief geveld door iemand met veel ervaring, aan te vullen of misschien zelfs te vervangen door objectieve en meetbare oordelen.

De computer speelt hierbij vaak een rol. De vorm van de letter is nog steeds het uitgangspunt, maar zij wordt op een andere wijze ingezet. In mijn eigen werk gaat het hierbij om twee processen: het objectief beschrijven van een lettervorm, wat nog een hele kunst is, en het meten van de ontwikkeling die deze vorm meemaakte door de tijd heen. Dat laatste doe ik met de weinige middeleeuwse boeken die juist wel een datering bevatten, wat zo’n een op de twintig keer gebeurde. Als je uit deze gedateerde manuscripten de vormen van letters destilleert en deze in een database uitzet naar tijd dan krijg je niet alleen een goed beeld van schriftontwikkeling, maar je kunt ook ongedateerde boeken met redelijke precisie en argumenten dateren, eenvoudigweg door letters langs de gereconstrueerde meetlat van vormontwikkeling te leggen.

Een voorbeeld hiervan is het pregotische schrift uit de twaalfde eeuw, waar ik momenteel aan werk. Binnen deze honderd jaar zien we hoe twee navolgende letters die tegengestelde ronde vormen hebben – zoals be en od – een opmerkelijk ontwikkeling doormaken. Terwijl sterk vergroot op een 29-inch scherm duidelijk zichtbaar is dat aan het begin van de eeuw de paren altijd van elkaar gescheiden zijn (er zit duidelijk wit tussen), zien we dat de letters elkaar na verloop van tijd aarzelend beginnen aan te raken, soms wel en soms niet.

Laat 12e eeuw, zoenende letters do in 'modo'

Laat 12e eeuw, zoenende letters do in ‘modo’

Dan volgt een fase die wel ‘zoenen’ wordt genoemd (de letters raken elkaar altijd, maar nét). Tenslotte gaan de twee letters waar ze elkaar raken zelfs licht overlappen, waarmee de nieuwe standaard is geboren. Van eenlingen die elkaar niet kennen tot verliefde paren die elkaar innig vasthouden: de ontwikkelingsfasen blijken prima dateerbaar en verworden zo tot ijkmomenten waarmee ongedateerde boeken in de tijd zijn te plaatsen.

Nu kan de historicus aan de slag. Met een accuraat gedateerde bron valt de informatie die zij bevat op de juiste plek op de tijdsbalk van een discipline en kunnen feiten een rol gaan spelen binnen de geschiedenis, filosofie, kunstgeschiedenis of letterkunde van de Middeleeuwen. Als we leren dateren verandert een moord van simpele doodslag in een historische gebeurtenis. Lettervormen plaatsen feiten in de tijd zodat ze geschiedenis kunnen maken.

Meer informatie: Erik Kwakkels’ persoonlijke website en de website van het onderzoeksproject