Commerciële bedrijven die rechtstreeks fundamenteel onderzoek financieren? Dat leek de beleidsmedewerker van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) waarmee ik sprak niet realistisch. Het voorstel was de homerun waarmee ik een geanimeerde discussie over het topsectorenbeleid besliste. Dacht ik. Uit haar afkeurende blik maakte ik op dat het een foutslag was.

Tot ik afgelopen maandag de plannen van de topsector Life Science and Health las. Om onderzoek en innovatie in de life sciences goed te organiseren – zo stellen de opstellers van de plannen – is een kleine organisatie nodig die onder andere “een alignerende rol heeft richting fundamenteel onderzoek en publiek gedreven onderzoek met private interesse”.

Dus toch.

Er zijn wél bedrijven die met een schuin oog kijken naar fundamenteel onderzoek. En die we als eerste over de streep kunnen trekken. Of dat lukt, hangt grotendeels af van de invulling van de ‘innovatiecontracten’. Afgelopen maandag stuurden minister Verhagen (EL&I) en staatssecretaris Zijlstra (OCW) er daarvan negen naar de Kamer; een voor iedere topsector. Met deze innovatiecontracten spreken bedrijfsleven, academische wereld en overheid af om gezamenlijk te investeren in Nederland Innovatieland. Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) zijn daarin het “kloppend hart”, zo vermeldt de begeleidende Kamerbrief. De TKI’s moeten zorgen voor coördinatie en samenwerking “over de gehele kennisketen”. Als het aan Verhagen en Zijlstra ligt, gaan TKI’s dus niet alleen over valorisatie en innovatie, maar ook over fundamenteel en toegepast onderzoek.

Ik zeg: doen! En dan ook echt over de hele breedte. Dus: kennisinstellingen, bedrijven en overheid investeren gezamenlijk in het totale TKI-pakket, van ongebonden onderzoek tot commercieel product. En dus geen halfslachtige publiek-private samenwerkingen die ‘verbinden’ tussen wetenschap en innovatie. Niet het gemekker van bedrijven over de vraag ‘wat het hen direct oplevert’. Maar dan ook geen wetenschappelijk geneuzel over ‘onafhankelijkheid van onderzoek’. Jarenlange samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven heeft ons in ieder geval een ding geleerd: ieder nieuw consortium komt met een eigen agenda, eigen onderzoeksprojecten, en eigen belangen. Dat zorgt niet voor verbinding, maar werkt juist gevoelens van ‘eigen-consortium-eerst’ in de hand. Het zijn net mensen, die publiek-private samenwerkingen. Met als gevolg dat wetenschappers in een keurslijf worden geperst, en bedrijven niet de klappers krijgen waarop ze hopen.

TKI’s kunnen de wildgroei aan publiek-private samenwerkingen aanpakken. Waarom leggen bedrijven daarvoor dan slechts 350 miljoen euro opzij, terwijl hun totale investering in het topsectorenbeleid 1,5 miljard euro bedraagt? En waarom schrijven Verhagen en Zijlstra dat er “ook voor ongebonden onderzoek (…) ruimte blijft”, aangezien er “op dit moment ongeveer 90% van de publieke middelen voor fundamenteel onderzoek niet vooraf gericht is op de innovatiecontracten”? Hiermee suggereren ze dat het allemaal wel meevalt met ruimte voor fundamenteel onderzoek; 90% van het gehele budget kan nog steeds vrij worden ingezet. Tegelijkertijd impliceert de passage (1) dat fundamenteel onderzoek alleen publiek gefinancierd kan worden (2) dat er binnen de innovatiecontracten uitsluitend gericht onderzoek gedaan wordt, en (3) dat het budget buiten de topsectoren in de toekomst waarschijnlijk niet gelijk blijft.

En dus moeten we de TKI’s goed inrichten, te beginnen bij de invulling van de private bijdragen. Ik geef graag de eerste aanzet. Binnen een TKI zetten we tien onderzoeksprogramma’s op. Evenals de kennisinstellingen en overheden dragen bedrijven bij aan het volledige traject van de tien onderzoeksprogramma’s, van experiment tot product. Net als durfkapitalisten hebben ze dan één zekerheid: negen van de tien programma’s leveren uiteindelijk geen geld op. Maar die ene klapper compenseert ruimschoots voor de negen ‘missers’. En ongetwijfeld leveren drie van die negen verloren programma’s ook weer aanknopingspunten voor nieuwe programma’s op. Op gezette tijden krijgen de bedrijven een first-right-to-refusal; ze mogen weigeren om verder te investeren in het onderzoeksprogramma, maar dan kunnen anderen de vruchten plukken van hun eerdere investeringen. Durfkapitaalconstructies als basis voor TKI’s; daarmee investeert Nederland écht in innovatie.

Even uitwerken, en de sectortrekkers hebben de oplossing op een presenteerblaadje!