oscargelderblom1

Oscar Gelderblom is universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht. Zijn specialisme is handel en financiën in de vroegmoderne tijd (1200-1800), een combinatie van geschiedenis en economie. “Vaak zit er ratio achter handelen.”

Wat ga je morgen doen?

Morgenochtend ga ik verder met mijn boek. Het is nu bijna af- ik verheug me op dat moment, want dit is intussen de vierde versie. In het boek probeer ik uit te leggen waarom kooplieden in Europa tussen 1000 en 1800 steeds beter konden handelen, terwijl er toch zo ontzettend veel problemen waren: Europa bestond uit allemaal verschillende staten die met elkaar in oorlog waren en bovendien waren er veel verschillen in regelgeving . Hoe kun je dan over zulke afstanden je handelspartner vertrouwen?

Dat Europa erin slaagde handel te drijven kwam vooral door de competitie tussen steden. In Europa hadden veel steden de juiste ligging en mogelijkheden om te handelen, en al die steden probeerden buitenlandse kooplieden aan te trekken. Daarvoor moesten ze iets geks doen: ze moesten goede betrekkingen onderhouden met juist die steden waarmee ze concurreren. En hoe succesvoller een stad was om verkeer tussen markten soepel te laten verlopen, des te gewilder werden ze als handelsstad.

Wat maakte een stad succesvol?

De regels van het spel waren simpel: ten eerste moet de stad kooplieden ondersteunen door eigendomsrechten goed vast te leggen; en ten tweede mogen de kosten om transacties van geld of handelswaar te organiseren niet te hoog zijn. Een staat of geweldsmonopolie  heb je daarvoor niet nodig. Een stad kan daarin een meerwaarde hebben; stedelijke rechtbanken kunnen bijvoorbeeld bij commerciële meningsverschillen de boekhouding als bewijs accepteren.

Waarom gebeurde dat wel in Europa en niet in China?

Deze ontwikkeling was typisch voor Europa. In het jaar 1000 was China al verder dan Europa met het ontwikkelen van handelsorganisaties, maar de steden waren minder machtig. China was één imperium met één overheid, waardoor er dus minder oorlog was en geen strijd bestond tussen heersers of steden. Kooplieden in China regelden dingen onderling, netwerken en families waren heel belangrijk. Daar waren vooral private oplossingen belangrijk, reputatiemechanismen en sociale druk.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt of methodes die u gebruikt?

Voor mijn hele vakgebied geldt dat het vernieuwende is dat we de geschiedenis niet als een reeks unieke gebeurtenissen beschrijven, maar haar confronteren met economische theorieën. Voor ons geesteswetenschappers is het fijn om met sociale wetenschappers te werken. Vaak zit er ratio achter handelen, en dat kun je inzichtelijk maken met de theoretische inzichten van bijvoorbeeld sociologen of economen. Als historici snappen we daardoor beter hoe de dingen werkten.

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer ben jij voor het laatst over de knie gegaan?

O, dat gebeurt dagelijks, gewoon door mijn naaste collega’s. Eén daarvan, een goede vriend en coauteur, is het elke week wel eens flink met me oneens. Die collega heeft veel meegelezen en van zijn commentaar word je niet blij- maar je werk wordt wel beter. Samenwerking gedijt bij het scherp houden van elkaar. Soms kan ik hem overtuigen, dan is dat ook goed voor mijn boek; soms heeft hij groot gelijk, en ook daar wordt mijn werk beter van. Buiten de geesteswetenschappen is die cultuur van kritiek misschien nog wel sterker. Voor historici is dit relatief nieuw, maar het werkt wel.

Waarvan zie je dat het mensen belemmert in hun werk?

Als ik iets moet noemen, misschien tijdgebrek – er zijn altijd meer vragen dan je tijd hebt om te beantwoorden. De kunst in het eerste jaar van een onderzoek is het leren stellen van vragen waarvan ook andere mensen het antwoord interessant vinden. Vanaf je promotieonderzoek begin je aan de grenzen van het weten te werken. Er is eindeloos veel wat je niet weet. Daarom moet je zorgen dat je het onderwerp aanvat dat je diep van binnen interesseert, waar je opgewonden over raakt.

Je  bent nu UHD. Van wat voor bijdrage aan het vakgebied droom je nog?

Dat wordt mijn volgende boek. Het schrijven van dit boek duurde lang, maar daardoor is het wel een beter boek geworden. Nu ben ik bezig met een onderzoek naar financiële markten. Dat ga ik het komende jaar schrijven met een collega in het NIAS, een onderzoeksinstituut in Wassenaar. Ik hoop dat mijn boeken en artikelen over twintig jaar nog relevant zijn. Er zijn in 1900 boeken geschreven die nog steeds de moeite van het lezen waard zijn, ook al zijn delen ervan achterhaald. Werk dat iets verder gaat dan de waan van de dag- dat vind ik mooi.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar ben je en waar denk je aan?

Nadat ik boodschappen heb gedaan maak ik de voetnoten voor het boek af. Dat is een dom klusje, dat kan overal tussendoor.

Interview door Eva van den Broek