“Verwantschapsonderzoek moet je zien als laatste redmiddel” stelt Ronald Meester, hoogleraar kansrekening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in een gastcolumn op Kennislink. Hij ontving onlangs een NWO-subsidie voor zijn  project ‘Zoeken met familie’.

Zoals vele andere mensen kijk ik graag naar CSI of andere detectiveseries op de televisie. Vaak is het vinden van de oplossing van de moord een kwestie van ouderwets speurwerk, maar soms speelt een DNA-match een grote rol. Op het computerscherm van de speurders verschijnt dan het woord ‘MATCH’, waarmee het politiewerk erop lijkt te zitten: een match is – zo wordt ons voorgespiegeld – doorslaggevend bewijsmateriaalen de aftiteling kan beginnen.

In de praktijk is het echter allemaal niet zo simpel, en het is misschien wel juist om te zeggen dat – kanstheoretisch gezien – het werk vaak pas begint bij een dergelijke match; mijn professionele belangstelling begint daar waar de tv-serie ophoudt. Maar hoe kan dat? Is ons DNA dan niet uniek?

Er zijn, ruwweg, drie problemen. Allereerst worden ‘slechts’ 15 plekken (‘loci’) van het DNA bekeken en zeker niet het hele DNA; dat zou ondoenlijk zijn. Vaak is een DNA-spoor ook onvolledig zodat een bepaald DNA-profiel weliswaar zeldzaam is, maar zeker niet uniek.

Ten tweede kunnen er – ook al wordt de herkomst van het DNA niet betwist – vragen gesteld worden over hoe een bepaald spoor ergens terecht is gekomen: het feit dat iemands DNA ergens aangetroffen wordt, wil niet automatisch zeggen dat die persoon daar daadwerkelijk geweest is.

Ten slotte zijn er ook vragen over wat nu eigenlijk de bewijskracht van een match is. Welke hypothese moet je eigenlijk toetsen? Hierover is in de literatuur een felle discussie gevoerd, zie bijvoorbeeld The DNA Database Search Controversy (pdf). Al met al is het zo dat een veroordeling op uitsluitend DNA-bewijs eigenlijk niet of nauwelijks mogelijk is.

Een wetswijziging die dit jaar haar beslag krijgt, maakt het nu mogelijk om bij specifieke (zware) misdrijven gericht te gaan zoeken naar familieleden van het aangetroffen DNA spoor. De gedachte hierbij is dat het DNA van verwanten meer gelijkenis vertoont dan het DNA van personen zonder familierelatie.

Als nu op een plaats delict een DNA-profiel wordt aangetroffen, en de database geeft geen match, dan kun je proberen om in de database een familielid (broer, zus, ouder, kind, …) te zoeken. In dit geval is het begrip ‘match’ een beetje onduidelijk geworden, want het is niet langer zo dat een spoor matcht of niet, maar dat een spoor meer of minder overeenkomsten heeft. De wet maakt het ook mogelijk om bijvoorbeeld een grootschalig bevolkingsonderzoek uit te voeren om familie van een crimineel op te sporen.

Maar hoe kunnen we dit middel inzetten? Het is duidelijk dat er grote ethische kwesties aan de orde zijn. Als iemand weigert mee te werken aan een bevolkingsonderzoek, maar zijn broer doet wél mee, dan is de weigering voor een goed deel ongedaan gemaakt. Mag dat? En hoe selecteer je een aantal mensen in een database zodat het aantal dat je selecteert niet te groot is, maar wel zo groot dat een eventueel aanwezig familielid met grote kans erbij zit? Er zijn verschillende strategieën denkbaar, waarvoor het begrip ‘kans’ niet altijd makkelijk op een juridisch bruikbare manier uitgelegd kan worden.

Maar de wet komt er, dus móeten we hier wel over nadenken. Een ethisch debat kan alleen gevoerd worden als we goed geïnformeerd zijn over de statistische kant van de zaak. Eigenlijk zijn we er al laat mee: in Engeland, Nieuw Zeeland en sommige staten in de VS wordt het middel al ingezet. Soms met succes, maar wat er misgaat haalt de pers waarschijnlijk niet. Hoogste tijd dus dat ook wiskundigen zich hiermee bezig gaan houden.

Beluister hier een radio-interview met Ronald Meester over het project ‘Zoeken met familie’.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Kennislink.