Eindelijk ben ik om: sinds enkele weken reis ik in de trein op een OV-chipkaart. Steeds meer mensen in mijn omgeving gingen het doen, en na verloop van tijd vond ik dat ik er ook maar aan moest geloven. Dat mensen elkaar na-apen is niks nieuws. Maar hoe zulk gedrag zich vervolgens geleidelijk over een groep mensen verspreidt, wordt nog uitgebreid onderzocht. Onlangs bogen Deense onderzoekers van het Center for Models of Life zich over de vraag hoe culturele gewoontes zich over Europa hebben verspreid. Daarbij kwamen ze tot de conclusie dat de langdurige bloei van het oude Griekenland en het Romeinse rijk waarschijnlijk deels afhankelijk geweest is van door de geografische omstandigheden.

Bartłomiej Dybiec en zijn collega’s van het Deense instituut ontwikkelden een elementair model voor de verspreiding van culturele gewoontes, uitgaande van het idee dan mensen gedrag alleen overnemen wanneer ze er via hun directe naasten mee in aanraking komen. Ze formaliseerden dit in eerste instantie zeer basaal als een vierkant rooster waarin elk roosterpunt een persoon voorstelde. Iedereen heeft dan vier naasten van wie nieuwe gewoontes kunnen worden overgenomen: de naburige roosterpunten boven, onder, links en rechts ervan.

De onderzoekers koppelden aan elk punt een serie eigenschappen. Door een toevalsfactor lieten ze soms op een willekeurig punt in het rooster een nieuwe gewoonte ontstaan, te vergelijken met een eerste persoon die spontaan begint met het gebruiken van zijn OV-chipkaart. De onderzoekers konden vervolgens zien hoe deze nieuwe gewoonte zich langzaam over alle roosterpunten verspreidde, tot het tenslotte ook de meest afgelegen punten bereikte.

In de realiteit nemen mensen echter niet zomaar van iedereen het gedrag over: als ik een willekeurige persoon in de trein gebruik zie maken van een OV-chipkaart, heeft dat een stuk minder invloed op mij dan wanneer ik een van mijn vrienden dat zie doen. Dit strookt met een principe dat politicoloog Robert Axelrod 15 jaar geleden al beschreef: de kans dat je een gedraging van iemand overneemt, neem toe naarmate je meer met elkaar gemeen hebt.

De Deense onderzoekers bestudeerden dit fenomeen door een extra optie aan hun model toe te voegen. De punten of personen in het rooster namen niet meer zomaar van al hun buren gewoontes over, maar werden kieskeurig. Alleen de buren van wie ze eerder iets hadden overgenomen (en op wie ze dus leken), kwamen in aanmerking. In deze simulatie zagen de onderzoekers kleine ‘eilandjes’ ontstaan: gedrag verspreidde zich maar over een beperkt gebied.

Ter illustratie pasten de Deense onderzoekers dit model toe op de culturele geschiedenis van Europa. Het rooster legden ze over een kaart van Europa, met de kustlijnen als rand. De ligging van twee roosterpunten naast elkaar betekende heel letterlijk dat die personen ook in het echt naast elkaar wonen. Voor de eenvoud werd bovendien aangenomen dat culturele gewoontes zich alleen verspreiden van buur tot buur. Axelrods idee dat mensen vooral gedrag overnemen van anderen die op hen lijken, werd dus gereduceerd tot een puur geografische voorwaarde.

De simulatie toonde duidelijk hoe vooral geografisch geïsoleerde regio’s lang aan dezelfde culturele gebruiken vasthielden.  De kans dat men daar met nieuwe gewoontes in aanraking zouden komen, was simpelweg kleiner. Dybiec en zijn collega’s stellen voorzichtig voor dat dit zou kunnen verklaren waarom de cultuur van de oude Grieken en de Romeinen zo lang stand hield: beiden vonden hun oorsprong op een geografisch geïsoleerd schiereiland.