JeroenSalman4

Jeroen Salman studeerde geschiedenis in Leiden en promoveerde daar ook op zijn studie naar almanakken in de Gouden Eeuw. Sinds 1997 werkt hij in Utrecht, waar hij onderzoek doet naar kinderliteratuur, populaire literatuur en andere literatuurvormen in de 16e, 17e en 18e eeuw.

Hij is cooördinator van de cursus Gouden Tijden van de masteropleiding Europese Letterkunde van Middeleeuwen en Renaissance, en hij is docent bij het University College Utrecht, waar hij binnen  het Humanities Department doceert.

In 2010 rondde hij zijn VIDI-onderzoek naar “De marskramer en de verspreiding van het gedrukte woord van 1600-1850” af.

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan?

Dat is mij  bij onderzoek nooit echt overkomen. Wat wél moeilijk was, was het krijgen van een vast contract. Dit was een langlopend proces, maar uiteindelijk is het gelukt. In de alfa-wetenschappen is het geven van onderwijs erg belangrijk om een vaste plek te krijgen. Een gewone UD (universitair docent) geeft 70% van zijn of haar tijd onderwijs, en heeft dus maar 30% over voor onderzoek, maar aan de andere kant word je ook beoordeeld op wetenschappelijke output. Deze twee werkzaamheden bijten elkaar nogal eens, en dat geeft soms behoorlijk wat spanning.

Een tijdje geleden kregen onderzoekers die goed onderzoek deden nog 10% onderzoekstijd erbij maar die regeling is helaas alweer teruggedraaid.

Wat gaat u maandag doen? heeft u er zin in?

Ik ben momenteel veel bezig met onderwijs, dus ook maandag zal een deel van de tijd gaan zitten in het voorbereiden daarvan. Verder ben ik bezig met het schrijven van een VICI-voorstel en ook daar zal ik aan gaan werken.

Waar gaat dit VICI-voorstel over – wat wilt u onderzoeken?

Het gaat over populair-wetenschappelijke literatuur in de 17e/18e eeuw. Tegenwoordig is het een trend om wetenschap te populariseren bij het grote publiek, maar in die tijd wilde de wetenschappelijke elite beperkt blijven. Wetenschappers hadden de neiging om te denken dat het volk het toch niet snapte. Desondanks werd er aan een soort van “populair-wetenschappelijke” literatuur gedaan, vooral via fictie. Door vermaak kon het volk dan toch wat leren – bijvoorbeeld door Johannes Kepler, hij schreef een maanreisverhaal. Daarbij speculeerde hij over leven op andere planeten, terwijl hij de tevens de nieuwe wetenschap over sterren en manen beschreef. Ook kwamen er toen, door de uitvinding van de boekdrukkunst, steeds meer tijdschriften, waarin ook ideeen uit de wetenschap werden beschreven.

Deze vorm van wetenschapscommunicatie wil ik graag onderzoeken op internationaal gebied. Nederland speelde hierin mogelijk een belangrijke rol, ons land stond toen bekend als het centrum van de Europese boekhandel en als symbool van het vrije woord. Veel buitenlanders kwamen hierheen om vrij van censuur te kunnen publiceren. Ik wil ook uitzoeken of dit wel klopt, of er inderdaad weinig censuur was, en wat de rol van genootschappen en wetenschappelijke organisaties hierin was.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of in de methodes die u gebruikt?

Waar ik daarnaast mee bezig ben  is het onderzoeken van leeservaringen van mensen. We willen graag weten hoe mensen door de tijd heen kennis, nieuws en literatuur  interpreteerden. Zulke bronnen zijn best lastig te traceren. In een nieuw project combineren we  wetenschaps- en cultuurgeschiedenis, en proberen we  kwalitatieve bronnen (een individuele leeservaring) te kwantificeren. Naar mijn weten is dit nog niet eerder gedaan in mijn vakgebied.

Waarvan zie je dat het mensen belemmert in hun werk? Wat moet er veranderen in de wetenschap?

Er ontstaat een probleem met het beoordelen van wetenschappers uit alle vakgebieden op hun publicaties. Doordat alle vakgebieden over één kam geschoren worden, wordt het voor alfa’s moeilijker om zich te onderscheiden. Veel alfa’s schrijven boeken, de output van mijn VIDI-onderzoek is bijvoorbeeld ook een boek geweest – hoe tel je die? Als één publicatie, of meer? Ook blijkt dat boeken in bibliometrische databases vaak niet terug te vinden zijn. Zo ontstaat het probleem dat beta’s veel meer lijken te publiceren dan alfa’s. Ook wordt er veel nadruk gelegd op het publiceren in internationale A-tijdschriften, maar als onderzoeker van Nederlandse literatuur ligt het niet zo voor de hand om in een internationaal tijdschrift te publiceren. Bij de beoordeling van individuele wetenschappers moet men dus ook naar andere factoren kijken, zoals de waardering van het onderzoek in het veld.

Momenteel zijn we met een veldoverschrijdende werkgroep van DJA, o.a. met Dolf Weijers (plantenbioloog) en Maarten Kleinhans (geofysicus), bezig om een aanbeveling te doen bij de NWO en de KNAW, om publiceren in verschillenden vakgebieden beter te kunnen vergelijken.

Wat ziet u als rol voor de politiek hierin?

Ik vind het erg jammer dat uit de politiek continu de mededeling komt dat het onderwijs beter moet, en dat wetenschappers horen moeten scoren op onderzoek, maar er aan de andere kant steeds meer bezuinigd moet worden. Die dingen kunnen gewoon niet samengaan. Dat probeert de politiek op te lossen door modieuze speerpunten te formuleren, waar geesteswetenschappen bijna helemaal buiten valt. Wetenschap moet niet modebewust willen zijn. Ook de enorme focus op valorisatie slaat door. Ik vind dat de politiek ervoor moet waken dat de waan van de dag ten koste gaat van de lange termijn, maar dat is helaas wel wat op dit moment gebeurt.

U bent bijna professor. Welke bijdrage hoopt u nog te leveren?

Ik ben altijd op zoek naar de niches in het onderzoek. Ik wil proberen dingen die altijd onmogelijk leken tóch te onderzoeken. De digitaliseringsslag in bibliotheken heeft een hoop nieuwe mogelijkheden geschapen, door text-mining wordt het nu bijvoorbeeld mogelijk om grote hoeveelheden boeken te ´scannen´ op bepaalde woorden of uitdrukkingen. Iets wat eerst een heel promotietraject was, kan nu in een aantal maanden. Door samen te werken met mensen die deze technieken goed beheersen is veel moois mogelijk.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Morgen ga ik op pad om de laatste sinterklaasinkopen te doen en wat gedichten te schrijven. Ik zal dus voornamelijk daaraan denken, en níet aan onderzoek.

Interview door Eva Teuling