Recent verscheen in het NRC een ingezonden brief van prof. dr. J.J.L. Derksen, klinisch psycholoog, waarin hij de Hersenstichting betichtte van misleiding van het publiek. Wat was er aan de hand? In een radiospotje van de Hersenstichting wordt ADHD een hersenstoornis genoemd. Volgens Derksen wordt ADHD daarmee ten onrechte gelijkgesteld met neurologische aandoeningen. De daaropvolgende briefwisseling* toonde aan hoeveel verwarring er nog bestaat over ADHD en de legitimiteit van de diagnose. Het is echter in toenemende mate een onzuivere discussie aan het worden, omdat er meerdere zaken door elkaar heen lopen. Wij noemen er drie.

Eenduidig
Ten eerste is er het misverstand dat de neurobiologische achtergrond van een psychiatrische of psychische stoornis eenduidig moet zijn voor de term ‘hersenaandoening’. Door wetenschappelijk onderzoek weten we dat ADHD een hersenaandoening is. Onderzoek van vele groepen in binnen- en buitenland, laat zien dat er verschillen in de hersenen bestaan tussen mensen met en mensen zonder ADHD. Bijvoorbeeld verschillen in het formaat en de ontwikkeling van de hersenen, en in patronen van hersenactivatie. Dit zijn echter verschillen op groepsniveau en kunnen dus niet gebruikt worden om een enkel individu te diagnosticeren. Dit wordt gebruikt als argument tegen een hersenstoornis, maar dat klopt niet: gedrag gebruiken om psychiatrische aandoeningen vast te stellen gebeurt niet omdat de aandoeningen geen neurobiologische basis hebben, maar omdat we de hersenen nog te slecht begrijpen om deze informatie voor diagnostiek te kunnen gebruiken.

Een belangrijke oorzaak voor het gebrek aan eenduidigheid in de neurobiologie van psychiatrische stoornissen zit in de manier waarop deze zijn gedefinieerd. De diagnostische criteria voor ADHD staan beschreven in het handboek voor de psychiatrie, de DSM. Dit instrument is nooit bedoeld om biologische categorieën te beschrijven: het is ontwikkeld door psychiaters om een grotere continuïteit te bieden in de diagnosestelling, zodat iemand die bijvoorbeeld in de VS de diagnose ADHD krijgt vergelijkbaar is met iemand die deze diagnose krijgt in Nederland. Hoewel het handboek ook in psychiatrisch onderzoek wordt gebruikt, is het voor de neurobiologie minder toepasbaar: het is natuurlijk niet verrassend dat als je louter op basis van observeerbaar gedrag naar verschillen in de hersenen zoekt, je geen uniforme antwoorden vindt. Modern neurobiologisch onderzoek richt zich daarom steeds meer op het classificeren van ADHD (en andere aandoeningen) waarbij verschillende neurobiologische vormen worden onderscheiden. Omgekeerd kan één neurobiologisch systeem ook betrokken zijn bij verschillende psychiatrische stoornissen. Met andere woorden: de relatie tussen gedrag, zoals in de DSM beschreven, en neurobiologie is niet één op één.

Omgeving
Ten tweede is er het misverstand dat neurobiologisch onderzoek in de psychiatrie geen aandacht heeft voor omgevingsfactoren. Dit misplaatste idee gaat volledig voorbij aan de groeiende tak van wetenschap die de invloed van biologische en psychosociale omgevingsfactoren op de hersenen onderzoekt. Er is steeds meer aandacht voor de interactie tussen biologie en omgeving: het brein stuurt niet alleen gedrag, ook andersom wordt de hersenontwikkeling gestuurd door ervaringen en gedragspatronen. In het geval van ADHD betekent dat dus ook dat de stempel ‘hersenaandoening’ niet wil zeggen dat medicatie de enige oplossing is, of dat psychosociale behandelingen niet nuttig kunnen zijn. Integendeel, het uiteindelijke doel van neurobiologisch onderzoek is het faciliteren van ‘personalized medicine’, waarbij de juiste behandeling bij de juiste persoon gezocht wordt, ongeacht de aard van de behandeling.

Overdiagnostiek
Ten derde wordt het ontbreken van een eenduidige biologische basis nogal eens gekoppeld aan de zogenaamde ‘ADHD-epidemie’. Echter, ook een (vermeende) toename in het aantal ADHD-gevallen is geen houdbaar argument tegen een neurobiologische basis. Het is ontegenzeggelijk waar dat er tegenwoordig meer oog is voor ADHD en andere ontwikkelingsstoornissen. Daarmee komt hulp in beeld voor kinderen die dat nodig hebben, maar kunnen potentieel ook kinderen een label krijgen die daar meer last dan baat van hebben. Immers, alle kinderen vertonen wel eens druk gedrag, de één vaker dan de ander. Samen met de toegenomen aandacht zou dit overdiagnostiek in de hand kunnen werken. Deze situatie baart ons als onderzoekers ook zorgen. Wij benadrukken daarom dat het belangrijk is dat een diagnose ADHD zorgvuldig wordt gesteld door een professional die daartoe is opgeleid: een kinderpsychiater. Echter, het blijft een vergissing om het bestaan van de aandoening in twijfel te trekken wegens vermeende overdiagnostiek. Dit doet onrecht aan de kinderen met echte ADHD en hun families, die hier dag in dag uit mee om moeten gaan.

In conclusie: in de briefwisseling in het NRC werd gesteld dat het weergeven van ADHD als hersenstoornis jarenlange wetenschappelijke kennis negeert. Het is onze stelling dat juist het ontkennen dat ADHD een hersenaandoening is het negeren van wetenschappelijke kennis betekent.

 
Prof. dr. Sarah Durston en dr. Patrick de Zeeuw

Prof. Durston is hoogleraar ontwikkelingsstoornissen van de hersenen en dr. De Zeeuw is neuropsycholoog/onderzoeker. Beide wetenschappers zijn werkzaam aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

 
Lees ook dit interview met Sarah Durston in onze serie de Jonge Akademie over de knie.

*) De briefwisseling in het NRC:

NRC Handelsblad, Opinie & Debat, 11 februari 2012:
De Hersenstichting misleidt het publiek

De Hersenstichting misleidt het publiek. Dat ze dit op haar site doet, is tot daar aan toe; er staat veel onzin op het internet. Maar ze doet dit nu ook met behulp van een radiospotje waarin deze stichting probeert geld binnen te halen door in haar reclame letterlijk te zeggen dat alzheimer, parkinson, depressie en ADHD hersenstoornissen zijn.
Psychologische stoornissen, zoals depressie en ADHD, worden misleidend op één lijn geplaatst en gelijkgeschakeld met neurologische stoornissen als alzheimer en parkinson. Hiermee zet ze het grote publiek voor wat betreft de psychologische stoornissen willens en wetens op het verkeerde been. Over de ontstaansgrond van ADHD zijn in de wetenschappelijke literatuur grofweg net zo veel studies, data en theorieën aan te treffen die laten zien dat biologische determinanten erin meespelen als geldt voor de psychologische determinanten. Hieruit de conclusie trekken dat het een hersenstoornis is, is ongepast. Bij depressies is het belang van de psychologische ontstaansgrond en dus ook psychologische behandeling al decennialang overtuigend aangetoond.
Deze stoornissen wegzetten als hersenstoornissen getuigt behalve van misleiding ook van een ernstig te nemen gebrek aan respect voor wetenschappelijke inzichten.

Prof. dr. J.J.L. Derksen
Klinisch psycholoog, Nijmegen

NRC Handelsblad, Opinie & Debat, 18 februari 2012:
Geen misleiding van Hersenstichting

De Hersenstichting noemt in haar radiospotje ADHD en depressie als voorbeelden van hersenaandoeningen. Prof. dr. J.J.L. Derksen vindt dat de Hersenstichting hiermee het publiek misleidt. Maar het onderscheid dat Derksen maakt tussen ‘psychologische’ en ‘neurologische’ aandoeningen is achterhaald. Van aandoeningen die van oudsher onder de ‘psychologische aandoeningen’ worden gerangschikt, is inmiddels bekend dat biologische factoren een belangrijke rol spelen. Ook van Alzheimer en Parkinson, die doorgaans onder de ‘neurologische aandoeningen’ worden gerangschikt, wordt steeds duidelijker dat psychiatrische symptomen er veelal een inherent onderdeel van zijn.

Mr. drs. Peter Schoof
Directeur Hersenstichting

 
Plaatje boven: bron.