Sarahdurston2

“De Jonge Akademie over de wat?”

“Over de knie.”

“Oh.”

“Een heel provocerende titel.”

“Ja zeg dat wel, ik ben benieuwd wat voor interview dit wordt.”

Op een vroege woensdagochtend mocht Sarah Durston, biopsychologe, de spits afbijten voor de interviewserie met wetenschappers van de Jonge Akademie. Durston is sinds kort professor aan de Universiteit Utrecht waar ze al sinds 1998 neurobiologisch onderzoek doet aan jeugdpsychiatrische stoornissen als ADHD en autisme, en kreeg begin dit jaar een VICI beurs van NWO voor dit onderzoek. Daarnaast is ze actief als lid van de Jonge Akademie, en altijd enthousiast om haar onderzoek uit te leggen aan een breed publiek.

Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?

We hebben net een artikel geschreven en ingestuurd, en dat kwam terug met kritiek van de reviewers. In het artikel zeiden we onder meer dat het er op leek dat x een moderator is van y. Eén van de reviewers merkte op dat je dat proces geen modereren kon noemen, en hij haalde er een artikel bij over wanneer iets wel of niet een moderator is. Die reviewer had volledig gelijk, en wij zaten er compleet naast. Dat zou je over de knie gaan kunnen noemen, want ik ben wel terecht gewezen. Maar hier dient het peer-review systeem voor, toch? Weer iets geleerd!

Wat gaat u morgen doen, en heeft u daar zin in?

Ik heb ’s ochtends een hele lijst afspraken, eerst met mijn secretaresse, dan met een van de medewerkers, dan met iemand van de Jonge Akademie. Daarna MT vergadering van de afdeling, en dan heb ik een vergadering met het hoofd van de divisie. ’s Middags heb ik wat tijd om aan stukken te werken, en dan ga ik aan het eind van de middag naar een oratie van een collega. Heel druk is die dag niet: het feit dat er een blok tijd in zit om aan stukken te werken is een luxe.

Waar gaat uw volgende publicatie over, en heeft u überhaupt tijd om daaraan te werken?

Op dit moment schrijven we er vier tegelijk, en dat komt omdat de AIO die ze schrijft over zes weken klaar moet zijn. Ze gaan allemaal over neuro-imaging bij ADHD. Ik plan af en toe dit soort blokken in mijn agenda zodat ik tijd heb om eraan te werken, want een AIO die zijn boekje moet inleveren heeft natuurlijk terecht geen boodschap aan: “Sorry, ik heb geen tijd.” Daar maak ik dus tijd voor, en dat gaat ook in avonden en weekenden.

Wat zijn de vernieuwende vragen of methodes die u gebruikt? Hoe draagt u bij aan de innovatie van uw vakgebied?

We proberen enerzijds op veel verschillende niveaus naar kinderpsychiatrische aandoeningen die we bestuderen te kijken; naar ADHD maar ook naar autisme. We kijken zowel met neuro-imaging als op genetisch niveau, op cognitief niveau, en op gedragsniveau, en al die verschillende niveaus proberen we aan elkaar te koppelen. Daarnaast kijken we niet alleen naar diagnostische categorieën, zoals van oudsher gebeurt in de psychiatrie: je kijkt naar een groep kinderen met autisme en die vergelijk je met een groep kinderen zonder autisme. In de praktijk blijkt echter dat dit soort ziektebeelden heel divers zijn. Het ene kind met autisme is sowieso het andere niet, en bovendien is de symptomatische overlap tussen ziektebeelden ook heel groot; kinderen met autisme hebben vaak symptomen die passen bij ADHD, en vice versa. Wij kijken naar de neurobiologie die onderliggend is aan symptoomclusters, onafhankelijk van de diagnose.

Verder is het van oudsher zo dat in dit soort onderzoeken de afwijkingen in de hersenen worden gekoppeld aan de symptomen die er zijn. Dit geeft uiteindelijk echter geen antwoord op de vraag: hoe ontstaat dat dan? Wij proberen modellen te ontwikkelen waarin we problemen in verschillende hersensystemen kunnen nabootsen, en de mogelijke gevolgen daarvan voorspellen, zodat dat je die empirisch kunt toetsen. Vorig jaar publiceerden we bijvoorbeeld een artikel over drie hersensystemen die bij een stoornis zouden moeten leiden tot symptomen van ADHD. Als je kijkt naar wat die hersensystemen doen op cognitief niveau, dan kun je voorspellen dat stoornis in één van die systemen zou moeten leiden tot een bepaald soort cognitieve uitval. Dit model stelt dus dat kinderen met ADHD slechts cognitieve uitval moeten laten zien in één van die drie systemen. Nu hebben we ook een artikel geschreven waarin we laten zien dat ook op gedragsniveau, als je kinderen test op die cognitieve functies, dit echt het geval lijkt te zijn.

Waarvan ziet u dat het uw lab, of uzelf, belemmert in hun wetenschappelijk werk, en wat zou er moeten veranderen in de wetenschap? Ziet u een politieke oplossing?

Het feit dat een dag maar 24 uur heeft, dat is wat mij betreft de grootste belemmering. Het gebrek aan tijd en het gebrek aan geld zorgen ervoor dat je keuzes moet maken. Dat is anderzijds helemaal niet zo slecht, want als je gewoon alles kunt onderzoeken wat je interessant vindt ontwikkel je geen richting. Het zijn allebei aspecten die misschien als belemmering gezien kunnen worden, maar waarvan ik ook denk dat ze een meerwaarde hebben.

Het is natuurlijk wel zo dat er politiek keuzes gemaakt worden over hoe wetenschap gefinancierd wordt. Momenteel is het heel erg in de mode dat alles valoriseerbaar moet zijn, waarbij liefst nog ‘valoriseerbaar’ wordt geïnterpreteerd als ‘netto economisch voordeel’. Dat vind ik wel heel erg kort door de bocht, en dat is potentieel een belemmering. Ik heb in zoverre de mazzel dat het onderwerp waaraan ik werk maatschappelijk relevant is; het wordt heel wat moeilijker als je fundamenteel wetenschappelijk werk doet. Ik zat de laatste twee jaar in het bestuur van de Jonge Akademie, samen met iemand die expert is op het gebied van de Perzische taal, literatuur en kunsten. Het maatschappelijk belang voor Nederland van dit werk is toch moeilijker uit te leggen, maar het is daardoor niet minder waardevol. Dit zie ik wel als belemmering voor de wetenschap in zijn algemeenheid: de politieke keuzes die momenteel gemaakt worden zijn niet de keuzes die ik zou maken.

U bent nu professor. Welke bijdrage hoopt u of droomt u nog te leveren in uw carrière? Wat is voor u de heilige graal?

Een echt neurobiologisch begrip van kinderpsychiatrische stoornissen als ADHD en autisme. Ik wil echt weten hoe dat nou in elkaar zit: hoe kan het nou dat het ene kind dat geboren wordt in een gezin waar een genetische aanleg is voor ADHD wél een pad opgaat waarbij hij op achtjarige leeftijd ADHD heeft – terwijl het andere kind, zijn broertje, met misschien wel hetzelfde risicogen of risicogenen, op een ander traject terechtkomt en het niet ontwikkelt?

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u en waar denkt u aan?

Meestal ben ik dan thuis, op de bank: op zaterdagochtend sport ik, en op zaterdagmiddag sport mijn man, dus ’s middags ben ik thuis met de kinderen. Na de lunch slapen ze meestal, dus dan zit ik uitgeteld van het sporten op de bank, vaak met mijn laptop op schoot, nog even wat te werken, te wachten tot de kinderen wakker worden.

Interview door Barbara Vreede