Wilde troepen olifanten maaien binnenkort het grasland van de Australische outback. Dat hoopt een hoogleraar biologische milieudynamiek in ieder geval, maar over de vraag of zijn voorstel briljant of belachelijk is zijn de biologen nog aan het bakkeleien.

‘Het idee om olifanten te introduceren klinkt misschien absurd, maar de enige alternatieven om het gambagras te beheersen zijn het gebruik van chemicaliën of het fysiek schoonvegen van het land, wat het practisch onbewoonbaar maakt voor andere soorten. Megagrazers inzetten kan uiteindelijk practischer en kosteneffectiever zijn,’ schrijft professor Bowman van de universiteit van Tasmanië in Nature.

David Bowman heeft lef. De meeste biologen associëren het introduceren van allochtone soorten met ernstige ontwrichtingen van ecosystemen, het opvreten van inheemse fauna en onbeheersbare plagen van de uitgezette soorten. De rampzalige voorbeelden zijn legio: de Amerikaanse vogelkers in Nederland, het konijn in Nieuw Zeeland en een hele serie ellendig uitgepakte introducties op het grondgebied van Australië zelf. Schapen, konijnen, vossen, reuzenpadden, varkens, kamelen: allemaal beesten die oorspronkelijk niet op het eilandcontinent voorkwamen en die na hun introductie allerlei problemen wisten te veroorzaken.

Is het pure provocatie dat Bowman voorstelt om een groep Afrikaanse olifanten naar Australië te laten verhuizen om daar het gras te beteugelen? Een beetje, geeft hij zelf in een interview toe. Toch is het voor hem een serieuze optie. De olifanten zijn namelijk uniek in hun vermogen om gambagras te eten. Dat gambagras zelf is door boeren vanuit Afrika naar Australië gebracht omdat het gemaaid kan worden om grote hoeveelheden veevoer te produceren, maar vormt inmiddels ook een probleem omdat de tot een meter hoge graspollen een aanjagende rol spelen bij het verspreiden van wildbranden. Om het brandgevaar te beteugelen proberen de lokale overheden het als onkruid groeiende gras in met name het uitgestrekte noordwesten de kop in te drukken. Dat is echter arbeidsintensief mensenwerk, want de planten zijn te groot om voor koeien of nog kleinere grazers behapbaar te zijn. Olifanten en ook bijvoorbeeld neushoorns zijn wél formidabel genoeg om het gambagras te kunnen kaalvreten.

Het beeld van een olifant met Ayers Rock op de achtergrond lijkt te passen in de lange Australische traditie van goedbedoelde soortenintroducties die vervolgens ellendig uitpakken, want de geschiedenis leert dat introducties vaak gepaard gaan met onvoorspelbare negatieve effecten. Wat oppervlakkig bekeken een prachtige oplossing lijkt voor een ecologisch probleem veroorzaakt dikwijls verrassende verstoringen elders in het soortenweb: een mogelijk scenario zou bijvoorbeeld zijn dat de olifanten in plaats van het gambagras veel liever een inheemse, kwetsbare soort oppeuzelen, waardoor de soorten die van die ongepland begraasde plant afhankelijk zijn ineens in het gedrang komen.

ongewenste soorten
De dappere Tasmaanse bioloog is zich van dit soort gevaren bewust, maar blijft bij zijn vermetele voorstel omdat hij stelt dat natuurbeheerders geen enkele optie bij voorbaat zouden moeten uitsluiten. Het huidige beleid, dat vooral rust op conservatieve ecologische ingrepen zoals het bestrijden van ongewenste soorten heeft volgens hem bewezen gefaald, dus pleit hij voor gewaagdere experimenten.

Voorlopig zal hij door weinig collega’s gesteund worden, maar zijn oproep past in het beeld dat ook biologen weer minder dogmatisch naar migrerende soorten gaan kijken. Steeds vaker geven ze ook aandacht aan recente introducties die wél succesvol waren, zoals die van de Europese honingbij in Noord-Amerika, die daar nu een belangrijke rol als bestuiver vervult. Of de Aussies al klaar zijn voor hordes slurfdragers in hun achtertuin durf ik te betwijfelen, maar het feit dat je hierover nu in Nature mag speculeren zet de deur voor dappere ecologen op een kier.