Hoe wispelturig was de Nederlandse kiezer de afgelopen vijf jaar? Van de 70.000 leden van het EenVandaag Opiniepanel wisselde 55% van partijvoorkeur. Dat klinkt behoorlijk wispelturig, maar volgens het vorige week verschenen rapport “Kieskeurige Kiezers” stak slechts 12% de grens over tussen “links” en “rechts” en wisselde hun beleidsvoorkeur nauwelijks. Kennelijk zweeft de kiezer niet zomaar alle kanten op. Een Amerikaanse studie laat zien waarom. Linkse en rechtse kiezers hebben letterlijk een andere kijk op de wereld: hun ogen nemen verschillende beelden waar.

Dat politieke voorkeur samengaat met bepaalde persoonlijkheidstrekken en zelfs hersenstructuren is al tien jaar bekend. Als je twee proefpersonen een plaatje van een wond laat zien waar de maden uitkruipen, is de kans groot dat degene die het hardste schreeuwt, tegen het homohuwelijk is. Conservatieve Amerikanen hebben gemiddeld een grotere amygdala, het hersengebied waarin angst en herinneringen verwerkt worden. Deze maand verscheen een artikel waarin aangetoond wordt hoe die biologische verschillen ook echt het wereldbeeld van de verschillende gezindten kunnen beïnvloeden.

De proefpersonen kregen weerzinwekkende foto’s te zien van bijvoorbeeld een spin op een gezicht of een auto-ongeluk, afgewisseld met plaatjes van spelende kinderen en konijnen. Hun fysieke reactie daarop werd vastgelegd met een huidspanningsmeter. Mensen gaan harder zweten, en daardoor beter stroom geleiden, bij het zien van zowel weerzinwekkende als aangename beelden. Meestal reageert men sterker op het eerste. Conservatieven bleken nog sterker dan gemiddeld te reageren op de nare beelden en liberalen juist sterker op aangename beelden. Zo’n onbewust, lichamelijk verschil tussen politieke gezindten was nog niet eerder aangetoond.

Maar of je het warm of koud krijgt van konijnen heeft geen invloed op de noodzaak die je voelt om bijvoorbeeld repressieve maatregelen te nemen. Om te zien of conservatieven ook echt andere beelden waarnamen, kregen nieuwe proefpersonen een camera op zich gericht die hun oogbewegingen vastlegde. De ogen van de conservatieve proefpersonen bleven sneller en langer bij de weerzinwekkende plaatjes hangen, en die van liberalen juist bij de aangename plaatjes. De onderzoekers durven het nauwelijks te suggereren, maar wie onbewust zoveel meer vuiligheid en geweld op zijn netvlies krijgt, wil dat natuurlijk uitbannen en zijn land ertegen beschermen; en tegelijk is het voor de conservatief onvoorstelbaar dat zijn buurman alleen maar konijntjes ziet, en niet de dreiging.

Als zoiets fysieks als oogbewegingen ten grondslag liggen aan onze politieke voorkeuren, lijkt het opmerkelijk dat verkiezingen toch elke keer spannend zijn. Zouden de twee perspectieven bij geboorte 50-50 verdeeld zijn? Het eenvoudige antwoord daarop stamt uit 1929. De econoom Hotelling zag het politieke spectrum als een strand met twee ijsverkopers. Die ijsverkopers verdelen zich niet netjes over het strand, zodat de kinderen niet zover hoeven te lopen; ze willen ieder voor zich het grootste deel van het strand bestrijken, en komen daardoor altijd naast elkaar uit. Als één van beiden namelijk een paar stappen vanuit het midden naar links zou gaan, zou hij de helft van de klanten die hij voorbijloopt verliezen aan zijn concurrent op rechts. Daarom positioneren partijen zich rond het midden, blijven verkiezingen spannend, en kunnen wetenschappers hun proefpersonen opdelen in ‘links’ en ‘rechts’ van het midden.

Gelukkig is de politieke werkelijkheid niet zo eendimensionaal als dit strand of de tegenstelling tussen maden en konijntjes. Robbert Dijkgraaf beschreef politiek ooit als een schuifpuzzeltje, waarin één vakje leeg is zodat de andere stukken op de juiste plaats geschoven kunnen worden. Zo bezien is de conclusie van het rapport “Kieskeurige kiezers” juist: het zijn niet de kiezers die zweven, maar de partijen die zich herschikken om de kiezers’ oogbewegingen.