Superhelden - rechtenvrije afbeelding

Wetenschappers kunnen niet vliegen zonder hulpmiddelen, beschikken enkel over superkrachten in het laboratorium, en dragen een bril omdat ze zonder nu eenmaal niets kunnen zien.

Toch zijn er meer wetenschappelijke helden dan alleen fictieve wetenschappers als Indiana Jones, Lara Croft en Peter Parker. Einstein siert de t-shirts van jongeren die ook Che Guevera en Nelson Mandela in hun kledingkast hebben hangen. Newton en Darwin staan in steen vereeuwigd in parken over de hele wereld. En de heroïsche ontdekkingen van onderzoekers als Galileo en Feynman waren inspiratie voor velen om een carrière in de wetenschap te ambiëren.

De verering van wetenschappelijke helden bereikte het hoogtepunt aan het  eind van de negentiende eeuw in Frankrijk. Louis Pasteur, al tijdens zijn leven op handen gedragen door het Franse volk, weigerde zelfs in het Pantheon te worden bijgezet en kreeg zijn eigen graftombe in het onderzoeksinstituut dat zijn naam droeg. Toen zijn lichaam van de Notre Dame naar de tombe reed moest de begrafenisstoet door een haag van vele duizenden Parijzenaars die hem een laatste eer kwamen bewijzen.

Natuurlijk had Pasteur zijn heldenstatus voor een belangrijk deel te danken aan zijn bijdrage aan onderzoek dat de levensverwachting van miljoenen mensen verhoogde. Maar dat betekent niet automatisch dat een hedendaagse wetenschapper eenzelfde eerbetoon kan verwachten. Neem Willem Kolff, uitvinder van de kunstnier, hart-longmachine en kunsthart. Deze apparaten hebben naar schatting meer dan twintig miljoen levens gered. Kolff heeft hier ruim wetenschappelijke erkenning voor gekregen, maar zijn publieke eerbetoon bleef beperkt tot de uitverkiezing van Overijsselaar van de Eeuw – net voor Epi Drost, een verdediger van FC Twente die bekend stond om zijn riskante terugspeelballen.

Zelfs de bekendste wetenschappers in het land hebben geen heldenstatus weten te verwerven. Ronald Plasterk werd pas bekend als politicus met hoed en Gerard ’t Hooft wordt natuurlijk gewaardeerd als Nobelprijswinnaar, maar een held kun je hem niet noemen. Hetzelfde geldt Robbert Dijkgraaf. Slim, charmant – maar een held? Als een andere hoogleraar dan ook nog zijn onderzoek uit zijn duim zuigt dan wordt pas goed duidelijk hoe diep de kloof is tussen wetenschappers en heldendom.

De begrafenistombe van Pasteur

Het is echter de vraag of dat zo slecht is. Wetenschappelijke helden als Pasteur groeien vaak uit tot personificaties van de waarheid; als onvoorwaardelijke dienaars van de wetenschappelijke methode voor wie geen enkele verleiding groot genoeg is om hen van het pad van de waarheid te houden. Dit klinkt misschien mooi, maar in de dagelijkse praktijk kan deze droom gevaarlijke vormen aannemen.

Zo botst de verering van een individu met het collectieve karakter van de wetenschap. Wetenschappers staan niet alleen op de schouders van reuzen, zoals Newton het zag. Wetenschappers staan evenzeer op de schouders van secretaresses, assistenten en schoonmakers, zonder wie zelfs Pasteur geen ontdekking had kunnen doen. Ook is het wel degelijk belangrijk om grenzen te stellen aan offers die we maken in de zoektocht naar de waarheid.

Heldenverering van wetenschappers kan zelfs ten koste gaan van de wetenschap: wetenschappelijke kennis gedijt immers het beste in een omgeving waarin zelfs het werk van de meest gerenommeerde sociaal-psycholoog even kritisch wordt gecontroleerd als het werk van diens meest onervaren AIO. En dat is maar goed ook, want ook helden zijn net gewone mensen.