penninx

Brenda Penninx studeerde gezondheidswetenschappen aan de universiteit van Nijmegen en promoveerde in 1996 in de epidemiologie aan de VU in Amsterdam. Daarna werkte zij bij verschillende instituten in de VS, totdat ze in 2004 terugkeerde naar Amsterdam om projectleider te worden van NESDA, de “Netherlands Study of Depression and Anxiety”.

Ze is nu professor in de psychiatrische epidemiologie en haar onderzoeksgroep houdt zich bezig met de relatie tussen lichamelijke en psychische problemen bij depressieve patiënten.


De titel van deze interview-serie is “De Jonge Akademie over de Knie”. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?

Ehm… tja, ehm, nou, daar heb ik zo echt geen antwoord op.

Ook niet na heel lang nadenken?

Nou, nee, eigenlijk nog steeds niet.

Anders geformuleerd dan: wanneer heeft u het voor het laatst heel erg zwaar gehad op uw werk? Er gaan toch soms wel dingen mis?

Ook daar moet ik heel hard over nadenken… eigenlijk gaat het altijd wel goed, er is weinig onderzoek dat écht niet lukt. Soms wordt er natuurlijk wel een artikel afgewezen, maar dat hoort erbij en we hebben uiteindelijk al ons onderzoek wel kunnen publiceren.

Dus, het gaat nooit mis?

Nou, er is wel eens een AIO geweest die het promotietraject niet heeft afgemaakt, maar meestal gaat het wel goed. Ik ben eigenlijk weinig grote problemen tegengekomen in mijn wetenschappelijke carrière.

Is er dan echt niets moeilijk?

Eigenlijk is het lastigste om de balans tussen alle verschillende activiteiten te vinden: onderzoek doen, lezen, schrijven, onderwijs geven, groepsafspraken, overleg met medewerkers enzovoort. Maar het begeleiden van mensen is een belangrijke taak en ik vind het heerlijk om omringd te worden door enthousiaste jonge mensen. Over het algemeen kan ik voornamelijk trots zijn op mijn AIO’s en postdocs die elders succesvolle onderzoekers worden.

Wat gaat u morgen doen? En heeft u daar zin in?

Ik heb op vrijdag altijd afspraken met studenten en AIO’s om te praten over de voortgang van hun onderzoek en daarvoor moet ik hun verslagen en artikelen lezen. Het is leuk om jonge mensen op te leiden, dus daar heb ik zeker zin in. Daarna ga ik op kraambezoek bij één van mijn post-docs. Volgende week heb ik nog een drukke week omdat we daarna met onze kinderen gaan kamperen op Corsica, en daar heb ik ook zin in. Dat maakt het harde werken weer helemaal goed.

Waar gaat uw volgende publicatie over?

We werken momenteel aan verschillende projecten, dus de “volgende” publicatie kunnen er meerdere zijn. Ten eerste zijn we bezig met een studie naar de relatie tussen telomeerlengte en depressie. Telomeren zijn de uiteindjes van onze chromosomen waarvan de lengte afneemt bij veroudering. Wij vermoeden dat er ook een relatie is tussen telomeerlengte en psychische klachten bij depressieve patiënten. Hiernaast zijn we bezig met een studie over het effect van beweging op lichamelijke en psychische klachten van depressieve personen. En, in samenwerking met andere onderzoeksgroepen, zijn we actief op het gebied van de (epi)genetica om erachter te komen of er verschillen zijn in genexpressie tussen depressieve en niet-depressieve personen.

Wat zijn de vernieuwende vragen of methodes die u gebruikt? Hoe draagt u bij aan de innovatie van uw vakgebied?

Eigenlijk is al ons onderzoek gericht op de vraag of lichamelijke klachten bij depressieve patiënten oorzaak of gevolg zijn van depressies, een “kip-of-het-ei” vraag dus. Er komt steeds meer het besef dat psychische en somatische klachten samengaan, maar dat was een tijd geleden nog niet het geval. Onder andere ons onderzoek heeft bijgedragen aan deze bewustwording. Wij hebben bijvoorbeeld aangetoond dat chronische ontstekingen en problemen met het immuunsysteem vaak samengaan met psychische klachten. Maar het is nog niet duidelijk wat de biologische mechanismen hierachter zijn, dat onderzoeken wij.

Hiernaast kijken we hoe deze kennis over de biologie kan bijdragen aan een betere behandeling van depressies. Momenteel is deze behandeling voornamelijk gericht op het verminderen van psychische klachten en wordt weinig aandacht gegeven aan de biologie achter de klachten. Wij proberen met biomarkers, genetische informatie en klinische (ziekte)kenmerken uit te zoeken welke behandeling voor welke persoon het beste zou werken. Zo proberen we toe te werken naar “personalized medicine”.

Waarvan ziet u dat het uw lab, of uzelf, belemmert in hun wetenschappelijk werk, en wat zou er moeten veranderen in de wetenschap? Ziet u een politieke oplossing?

Ik zie een algemene dreiging voor het wetenschappelijk niveau in Nederland: er is steeds minder geld en steeds meer concurrentie. Er is binnen de Nederlandse overheid momenteel een trend gaande richting het korte-termijn denken, en het bij voorkeur financieren van projecten die gericht zijn op valorisatie en snelle resultaten. Dit is een reële dreiging voor ons eigen onderzoek: wij moeten patiënten soms jarenlang volgen, en zonder basissubsidies zie ik problemen ontstaan voor het in stand houden van de infrastructuur van de onderzoeksgroep. Ik weet niet hoe dit in de toekomst zal gaan.

Welke bijdrage hoopt u of droomt u nog te leveren in uw carrière?

Ik hoop dat ons onderzoek uiteindelijk kan leiden tot de eerder genoemde “personalized medicine”. Ook hoop ik op een groter aanbod van interventies: dat artsen niet alleen maar anti-depressiva voorschrijven, maar ook andere medicijnen die de lichamelijke klachten aanpakken; of leefstijladvies en therapie aanbieden – in het beste geval “op maat gemaakt” voor de individuele patiënt. Maar zover is het nog niet, daarvoor is nog veel onderzoek nodig. Gelukkig wel, zou ik bijna zeggen, want onderzoek is leuk en ik wil er graag nog jarenlang mee doorgaan.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u en waar denkt u aan?

Zeker niet aan onderzoek! De zaterdagochtend is meestal gevuld met sportwedstrijden van de kinderen, dus ’s middags zijn we bezig met de wekelijkse boodschappen en de noodzakelijke huishoudelijke klusjes zoals grasmaaien.

Interview door Eva Teuling