BeBreij

Bé Breij is docent klassieke talen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en doet onderzoek naar sociaal-culturele aspecten van het Romeinse rijk met behulp van retorische teksten.  In deze column laat ze zien wat wij tegenwoordig nog van zulke teksten kunnen leren.

Wet: Het is verboden een vrij man te martelen.

Casus: Een arme en een rijke man zijn vijanden. Op zekere nacht loopt de arme man samen met zijn zoon naar huis. De jongen wordt vermoord; de arme verklaart dat de rijke de dader is. Omdat hij zijn beschuldiging niet hard kan maken – er zijn geen getuigen – verzoekt hij om te worden verhoord onder marteling. De rijke wil dit voorkomen met een beroep op de wet.

Opdracht: Je mag kiezen: schrijf een betoog voor de arme om een verhoor onder marteling af te dwingen; of voor de rijke om het juist te verbieden.

In de Romeinse keizertijd was dit iets wat iedereen kende. Het maken van declamaties, redevoeringen op verzonnen thema’s, was namelijk de enige vorm van hoger onderwijs. Dit onderwijs werd door alle jongens die tot de elite behoorden gevolgd. Maar ook als ze volwassen waren en een machtige positie hadden of misschien leraar waren geworden, vonden ze het nog leuk om bij elkaar te komen, een thema bij de kop te pakken en met elkaar wedstrijdjes te doen om het meest overtuigende, het meest originele of het meest literaire betoog af te steken.

De personages in de casussen komen uit een vaste set. Arme man, rijke man, priester, roverhoofdman, tiran, slaaf, prostituee, vader, zoon, moeder, dochter – dan heb je het wel zo’n beetje gehad. De wetten zijn vaak fictief en afgestemd op de casussen. Die laatste zijn soms braaf – disputen over erfenissen of eigendomsrechten – maar vaker behoorlijk spectaculair: moord, marteling, incest, tovenarij, kannibalisme, verkrachting en ontvoering vormen geen uitzondering. Omdat de casussen vaak sensationeel en onrealistisch waren en de bijbehorende redevoeringen niet zelden uit gezwollen, pathetisch proza bestonden, was er in de oudheid al de nodige kritiek op het genre. Dat is in de loop van de tijd niet veel beter geworden. Hoewel de humanisten zich wel voor het genre interesseerden, lieten latere geleerden het liever links liggen. Pas de laatste decennia worden de vier bundels declamaties die we nog over hebben, voor het merendeel in fragmenten, door een klein aantal wetenschappers serieus bestudeerd.

Gelukkig maar, want ze zijn om verschillende redenen de moeite waard. Ze geven een beeld van het antieke onderwijs en de manier waarop retorische theorieën en voorschriften in de praktijk werden gebracht in de keizertijd: we hebben een collectie over die aanwijzingen van de docent bevat. Een andere bundel bestaat uit fragmenten van declamaties door leraren en redenaars. Die staan bol van citaten en literaire kritiek, zodat we aanwijzingen krijgen over het culturele leven van de elite. Maar ook kunnen declamaties ons iets vertellen over opvattingen en vooroordelen van de Romeinse elite. Veel teksten draaien bijvoorbeeld om een conflict tussen een machtige en een machteloze persoon: vader en zoon, rijk en arm, man en vrouw. Uit de argumenten, maar ook de emoties en attitudes die deze fictieve personages krijgen toebedeeld om hun betogen overtuigend te maken, kun je – met natuurlijk de nodige behoedzaamheid – afleiden hoe men over dit soort machtsposities en –relaties dacht en ook hoe men vond dat een gegeven personage zich diende te gedragen. Meestal worden normen en waarden getest en uitgedaagd, maar uiteindelijk wel bevestigd.

Bij de casus hierboven hoort één van de negentien complete declamaties die we nog over hebben. In de tweede, derde of misschien pas vierde eeuw na Christus heeft een leraar in de retorica een betoog voor de arme man geschreven. De beide hoofdpersonen worden volgens een vast patroon gekarakteriseerd: de rijke wordt geschetst als een soort dictator die kickt op het idee dat hij kan doen wat hij wil en ermee kan wegkomen. Hij heeft de jongen alleen maar vermoord om de arme te kwetsen. De arme daarentegen is een simpele, brave man die niets had behalve zijn zoon. Machtsmisbruik wordt dus aan de kaak gesteld, maar de machtsverhouding zelf niet. En de arme bezet stevig zijn eigen treetje op de sociale ladder: hij houdt vol dat slavengeesten in geharde slavenlijven trucjes kennen om te liegen onder marteling, maar dat een vrij man alleen de waarheid kan spreken.

Voordat ik zulke conclusies kan trekken, heb ik al een lange weg afgelegd. Ik kijk naar de constitutie van de teksten (als de handschriften verschillen, welke versie zou dan de beste kunnen zijn?), naar woordgebruik, grammatica, literaire citaten, retorische kenmerken en historische en filosofische achtergronden. Al die informatie verwerk ik in een commentaar. Als dat af is, ken ik een declamatie tot in haar vezels. En dat vind ik het mooiste werk dat er bestaat.