Nederlands onderzoek doet het goed in Europa. Zo’n tien procent van Brussels belangrijkste subsidies voor aanstormend onderzoekstalent (de ERC Starting Grants) gaat naar Nederland. Toch moeten ook Nederlandse kennisinstellingen nadenken over hun toekomstige positie in het Europese geweld. Dat was de belangrijkste constatering tijdens de fringe meeting ‘Onderwijs in Europa versus Nederland’ op het partijcongres van D66 afgelopen zaterdag.

Het was onderzoeker Barend van der Meulen die de discussiedans over Nederlandse kennis in Europa opende. Kennisinstellingen zitten vaak in een spagaat, aldus de directeur Science Systems Assessment van het Rathenau instituut. Hun voornaamste activiteit is het genereren van wetenschappelijke kennis, waarmee ze onvermijdelijk in een internationale omgeving opereren. Anderzijds hebben ze een centrale rol in de regio, met name voor aankomende studenten en lokale bedrijven. In een tijd waarin ze zich moeten profileren in een Europese onderzoeks- en onderwijsunie, wordt het almaar lastiger om als  ‘dubbeldoelacademie’ te blijven fungeren. Zeker aangezien Nederland Kennisland bestaat uit twaalf universiteiten, een aantal grote wetenschappelijke instituten, en talloze grote en kleine bedrijven. Alle proberen ze zowel tot de internationale top te behoren, als het centrum van de regio te zijn.

Van der Meulen schetste hoe onderwijs en onderzoek in Europa zich de komende jaren zouden kunnen ontwikkelen. Natuurlijk kan Europa blijven zoals het is, met onafhankelijke landen die grotendeels autonoom hun eigen onderwijs en onderzoek organiseren. Waarschijnlijk stagneren verschillende instellingen dan door toenemende complexiteit in financiering en organisatie. Of Europa ontvouwt zich als één groot kennisland, met een set algemene spelregels die overal geldig zijn. Ook dat lijkt moeilijk te realiseren in een Europa waarin individuele landen veel waarde hechten aan hun autonomie. En dus lijken we af te stevenen op een derde scenario, waarin kennisinstellingen zich in toenemende mate differentiëren en specialiseren. Sommige instellingen groeien uit tot ‘Europese winnaars’, en strijden met Harvard en MIT om de eerste plaatsen op de internationale rankings. Andere ontpoppen zich als ‘regionale helden’, met een sterkere focus op onderwijs en lokale activiteiten.

Hoewel het derde scenario het meest wenselijk is vanuit Europees oogpunt, is het de vraag wat dat betekent voor de Nederlandse universiteiten. Het is immers onwaarschijnlijk dat ze alle twaalf tot de ‘Europese winnaars’ zullen behoren. En dus moeten er keuzes gemaakt worden, zo bleek ook uit de discussie tijdens de fringe meeting. Een Maastrichtse arts verwoordde het treffend. “Als het zwaartepunt van medisch onderzoek in Amsterdam komt te liggen, hebben we in Maastricht geen stage- en opleidingsplekken voor onze geneeskundestudenten,” aldus de arts, “dan moet Amsterdam die studenten ook maar nemen.” Tweede Kamerlid Boris van der Ham reageerde direct: “Sommige universiteiten zullen tot de internationale top behoren, maar ze kunnen niet zonder de universiteiten met uitstraling in de regio,” liet hij weten, “die zijn net zo belangrijk.” Wat hij daarmee precies bedoelde – bijvoorbeeld dat studenten die het in Amsterdam niet redden, in Maastricht moeten worden opgevangen, of juist dat Maastricht alle studenten opleidt, ook die uit Amsterdam – werd niet duidelijk. Toch is verdere uitwerking wel belangrijk: hoe kan een universiteit een sterke regionale positie verwerven, zonder op hoog niveau te acteren in de mondiale wetenschappelijke wereld?

De oplossing ligt voor de hand; Nederlandse universiteiten moeten elkaar niet beconcurreren, maar juist samen optrekken richting Europa. Rotterdam, Delft en Leiden lijken zich daarvan bewust. De drie universiteiten meldden eerder dit jaar te werken aan een ‘intensieve samenwerking’. De bekendmaking veroorzaakte een golf van verontwaardiging door universitair Nederland. ‘Mega-universiteit’ en ‘massa-onderwijs’ waren veelgebruikte termen. Desgevraagd lichtte Pauline van der Meer – voorzitter van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam – de plannen voor de drie-eenheid toe. De nadruk ligt op specialisatie, en gebruik maken van elkaars sterkten; niet op schaalvergroting. Daarnaast past de fusie natuurlijk in de trend van nauwere samenwerking tussen kennisinstellingen in Nederland. In Amsterdam zoeken stadsrivalen AMC en VUMC elkaar steeds vaker op, en ook Nijmegen en Enschede vinden elkaar. Ook vullen universiteiten en hogescholen elkaar meer aan, met name op het gebied van onderwijs. Maakt Nederland zich daadwerkelijk op voor de strijd in Europa?

In ieder geval niet waar het subsidieprogramma’s betreft. Een belangrijke bron van financiering voor wetenschappers in Nederland is de Vernieuwingsimpuls (VENI VIDI VICI) van onderzoeksfinancier NWO. In een open competitie maken individuele onderzoekers kans op subsidies van twee ton tot anderhalf miljoen euro. NWO wil ‘open competitie’ gaan hanteren in meer van haar programma’s. De subsidieverstrekker wakkert daarmee een strijd aan tussen individuele onderzoekers in Nederland, soms zelfs binnen hetzelfde instituut. Dat zal alleen maar vaker voorkomen als meer kennisinstellingen onder één vlag opereren. Dat brengt Nederland als geheel niet direct dichter bij de top. Het is juist aan de Universiteit Nederland om geld vrij te maken voor een infrastructuur waarin onderzoekers kunnen uitblinken, voor (fundamenteel) onderzoek dat

verbindingen legt, en voor het opleiden van een nieuwe generatie wetenschappers. Daarmee winnen we in Europa, en kunnen we Europa daadwerkelijk naar een kenniseconomie leiden.