Een intake-gesprek bij de sportschool. De instructeur tuurde aandachtig over mijn aanmeldingsformulier en vroeg vervolgens of ik een zittend beroep had. ‘Ja’ piepte ik. ‘Wat doet u dan precies?’. ‘Nou, eh…. ik ben paleontoloog.’ Even was het stil, de gebruikelijke stilte waarin mijn gesprekspartner zich probeert te herinneren waar men dat woord eerder gehoord heeft. ‘Ah!’ zei hij. Een blik van herkenning verscheen in zijn ogen en hij boog zich naar me toe. ‘Zeg eens eerlijk, mevrouw, Jurassic Park, he, is dat nou echt?’

Helaas voor mijn sportschoolinstructeur, en vele anderen, is het klonen van dinosaurussen en andere prehistorische dieren nog steeds toekomstmuziek. Nog afgezien van alle praktische haken en ethische ogen, is de voornaamste reden hiervoor het ontbreken van voldoende geconserveerd genetisch materiaal. Na de dood van een organisme vallen DNA moleculen, eiwitten en ander organisch weefsel langzaam uit elkaar. Zelfs onder de meest ideale omstandigheden (zeer koud) overleeft DNA hooguit een miljoen jaar. Veel te kort dus om nog in enigzins bruikbare hoeveelheden aanwezig te zijn in ruim 65-miljoen jaar oude dinofossielen.

Maar in 2005 leek het er op dat het klonen van dinosaurussen door middel van fossiel DNA wel eens dichterbij was dan menigeen dacht. Mary Schweitzer, paleontologe bij het Amerikaanse Museum of the Rockies in Montana, en collega’s claimden resten van rode bloedcellen en andere zachte weefsel teruggevonden te hebben in een 68-miljoen jaar oud Tyrannosaurus rex dijbeen. De paleontologische wereld stond op zijn kop. Zacht weefsel dat na 68 miljoen jaar nog intact was, het leek bijna te mooi om waar te zijn. Zou het dan toch kunnen? Betekende dit dat de afbraak van organische structuren in een beschermde natuurlijke omgeving (het bot) anders verliep dan in de gecontroleerde setting van het lab?

Schweitzers resultaten werden door velen afgedaan als onwaarschijnlijk en foutief. Hoewel sommige eiwitten mogelijk tot enkele miljoenen jaren kunnen overleven, leek 68 miljoen jaar toch nog iets teveel van het goede. Onderzoekers wezen erop dat wat Schweitzer zag onder haar microscoop, waarschijnlijk structuren waren gemaakt door bacteriën. Chemische analyse (het zogenaamde sequencing) van de eiwitten uit het bot leken de bevinden van Schweitzer echter te bevestigen: de T. rex eiwitten vertoonden sterke overeenkomsten met eiwitten van vogels en alligators, de meest nauw verwante diergroepen. Maar ook hier kwam forse kritiek op. Schweitzer’s statistische analyse zou rammelen, en enige tijd ging zelfs het gerucht dat de testsamples besmet zouden zijn geraakt met eiwitten van een labmedewerker’s kalkoensandwich.

Maar Mary Schweitzer gaat onverminderd door. In een nieuw artikel tonen Schweitzer en collega’s aan dat de stukjes eiwit die ze vonden in de dinosaurusbotten geen willekeurige restjes van organische moleculen zijn, maar afkomstig zijn uit delen van eiwitmoleculen die betrokken zijn bij verbindingen met andere moleculen. Verre van toeval, volgens de auteurs. Deze regios in het molecuul dragen bij aan de stabiliteit van het eiwit en zijn door hun typische, vaak opgevouwen structuur juist extra goed beschermd tegen de werking van enzymen. Het is dus geen wonder dat juist deze stukjes de tand des tijds overleven. De auteurs concluderen dat het begrijpen van de preferential preservation van eiwitten ons meer inzichten verschaft in de selectiedrukken die inwerken op moleculaire structuur en functie, en van belang zal zijn voor het ontrafelen van evolutionaire verwantschappen tussen (uitgestorven) organismen. En het biedt natuurlijk potentie voor Jurassic Park 5.