Verlekkerd, gegeneerd probeer ik het me voor te stellen, wat Hermann von der Dunk in de Volkskrant noemt “de mefistofelische drang om zijn bedrog extra te zouten” -academische ethiek doceren, publiceren over het verband tussen macht en moraliteit, en wegkomen met zelfgefabriceerde data. Een bekentenis: ik kan het me voorstellen.

Ik heb zelf wel eens een experiment vaker herhaald dan gepland was, omdat ik vond dat een bepaald effect er moest zijn. Daar ben ik nog steeds van overtuigd. Misschien was het effect te zwak om meetbaar te zijn, goed, maar ik vond dat het bestond. Ik leed toen niet onder de publicatiedruk, marktwerking of mediageilheid waar Von der Dunk de misstappen van Diederik Stapel aan wijt. Ik had de oprechte overtuiging dat ik dat effect zou moeten vinden, en anders iemand anders wel.

Zulke valse overtuigingen hebben wetenschappers wel vaker. Twee jaar geleden verscheen er een overzichtsartikel van alle studies naar wetenschappelijke misdragingen. Uit dat overzicht bleek dat bij navraag 1,97 procent van de wetenschappers toegaf zelf weleens data te hebben gemanipuleerd of verzonnen. 33,7 procent hield er minder duidelijke, maar wel onfatsoenlijke onderzoekspraktijken op na, zoals cherry-picking (het uitzoeken van de resultaten die in je straatje passen), data cooking (het oppoetsen van je resultaten tot het ergens op lijkt) en het doorzoeken van data op toevallige verbanden. Plagiaat werd niet meegerekend, want dat voegt geen foute gegevens toe aan de body of knowledge. Als de vraag gesteld werd of collega’s zich wel eens waagden aan zulke malversaties, schoten de cijfers omhoog. 14 procent wist van datamanipulatie bij een collega en 72 procent betichtte minstens één collega van onzuiver handelen.

Zulke onfatsoenlijke dingen doen mensen als de omgeving het toelaat. Uit dezelfde literatuur die Stapel bevuilde, komen degelijke experimenten die aantonen dat de omgeving ons ethische bewustzijn flink kan beïnvloeden. We houden ons voor dat sommige dingen echt slecht zijn, niks glijdende schaal, dat zouden we nooit doen. Maar laat een groep acteurs tegen een proefpersoon volhouden dat twee staafjes even groot zijn, en de proefpersoon gaat aan zichzelf twijfelen en de staafjes echt even groot noemen. Zet mensen in een kamer waar rook onder de deur door komt, en ze blijven rustig zitten als de acteurs dat ook doen. Zeg tegen proefpersoon dat het de bedoeling is dat ze een ander schokken toedienen – en ze doen het.

Hoe ziet die academische omgeving eruit, dat 72 procent van de wetenschappers wel eens fraude onder collega’s vermoedt, maar daar niets mee doet? Als je dat eens een uurtje van dichtbij wil meemaken: dat kan. Het Amerikaanse Office of Research Integrity heeft een video-adventuregame gemaakt. Daarin kun je een van de karakters aannemen die een rol spelen in het aanbrengen van een academische fraudezaak: een AiO, de prof, de postdoc of de ‘research integrity officer’. Iedere keer dat de film stop sta je voor een griezelig realistische keuze. Als speler balanceer je tussen machtsspellen, reputatiekwesties, bewijsdrift, het thuisfront en oprechte wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Juist de persoonlijke kwesties die door de ethische kwesties heen spelen maken het zo voorstelbaar: de collegialiteit, de risico’s voor onschuldige derden, de onzekerheid.
Net mensen, die wetenschappers.