Rond 1890 besloot de American Acclimatization Society om alle vogelsoorten uit de werken van Shakespeare in Amerika te introduceren. In het kader van dit ambitieuze project werden zo’n honderd spreeuwen ingescheept en losgelaten in New Yorks Central Park. Opportunistisch als ze zijn, verspreidden ze zich razendsnel en inmiddels zijn ze een van de meest wijdverspreide vogelsoorten in Noord Amerika. Maar wijdverspreid of niet, velen beschouwen ze als indringers. Ze nemen kostbare nestruimte in, concurreren om voedsel met inheemse soorten en brengen schade toe aan de vegetatie.

De meeste biologen zijn het erover eens: geïntroduceerde soorten zijn een bedreiging voor de biodiversiteit en moeten daarom met hand en tand bestreden worden. De nijlbaars in het Victoriameer in Afrika en de reuzenpad in Australië zijn voorbeelden van geïntroduceerde soorten die onherstelbare schade hebben toegebracht. Uit Nederland kennen we onder meer de nijlgans en de Japanse oester. Maar een recent modeverschijnsel zijn geïntroduceerde soorten allerminst. Alhoewel sommige soorten op eigen kracht op reis gingen, werden velen door de mens een handje geholpen. Overal waar onze voorouders gingen, werden ze vergezeld door een legertje reisgenoten variërend in grootte van bacterie tot hert.

In een recent artikel in het tijdschrift Nature stelt een groep ecologen  onder leiding van Mark Davis dat het allemaal wel meevalt met de desastreuze gevolgen van geïntroduceerde, oftewel non-native soorten. Natuurlijk zijn er soorten die veel schade aan richten, maar ze zijn niet allemaal slecht. Sommige soorten lijken naadloos in een bestaand ecosysteem te passen en veroorzaken nauwelijks waarneembare schade. Nieuwe soorten kunnen zelfs bijdragen aan de biodiversiteit! Natuurbeschermers en beleidsmakers moeten daarom volgens Davis et al. maar eens ophouden met het pesten van immigranten, maar de nieuwe soorten omarmen en accepteren dat ecosystemen veranderen. Want, zeggen ze “recent analyses suggest that invaders do not represent a major extinction threat to most species in most environments — predators and pathogens on islands and in lakes being the main exception.

Hier slaan Davis en de zijnen de plank echter volledig mis. In een analyse van de verspreiding van biodiversiteit over het oppervlak van de aarde, laten Myers en zijn collega’s zien dat eilanden een onevenredig groot deel van de huidige biodiversiteit voor hun rekening nemen. Maar ondanks de grote biodiversiteit zijn eilanden zeer kwetsbaar voor nieuwkomers. Het wegzetten van eilanden, en de bedreigingen van de biodiversiteit op eilanden, als een uitzondering getuigt dan ook van schrikbarend weinig inzicht in biogeografie.

Eilanden worden ook wel als ‘ecologisch naïef’ beschreven. Om je op een eiland te kunnen vestigen, moet je kunnen zwemmen, vliegen of drijven. Hierin slagen voornamelijk vogels, vleermuizen, herbivoren en knaagdieren. Dit selecte gezelschap ontwikkelt zich vervolgens in een geïsoleerde setting, ver weg van alle gevaren van het vasteland. Eigenschappen die onmisbaar zijn op het vasteland (bv. grote afmetingen en vliegvermogen) verdwijnen in een eilandpopulatie, met dwergolifantjes en niet-vliegende vogels als gevolg. Echter, op het moment dat er een verbinding met het vasteland ontstaat (door bijvoorbeeld een zeespiegeldaling) leggen deze eilandbewoners massaal het loodje. De fossil record van eilanden van de Middellandse Zee tot aan Nieuw Zeeland laten zien dat eilandsoort X geheel verdwijnt als vastelandsoort Y zijn entree maakt. Ook met de komst Homo sapiens en zijn reisgezelschap van ratten, honden, katten, varkens en geiten werden vele eilandfauna’s in de Stille en Indische Oceaan van de kaart geveegd.

Maar er is hoop. Met heroïsche inspanningen werd op Mauritius de Mauritiaanse torenvalk van de extinctie-afgrond gered. Op vele andere eilanden zijn vergelijkbare reddingsacties op touw gezet om geïntroduceerde soorten in te dammen en bestaande ecosystemen te herstellen. Met wisselend succes. Maar wat men daar wel lijkt te begrijpen is dat eilanden geen uitzonderingsgevallen zijn, maar ten grondslag liggen aan het behouden van de biodiversiteit wereldwijd. Wie is er nu ecologisch naïef?

Referenties:

M. A. Davis, M.K. Chew, R. J. Hobbs, A. E. Lugo, J. J. Ewel, G. J. Vermeij, J. H. Brown, M.l L. Rosenzweig, M. R. Gardener, S.P. Carroll, K. Thompson, S. T. A. Pickett, J. C. Stromberg, P. Del Tredici, K. N. Suding, J. G. Ehrenfeld, J. P. Grime, J. Mascaro & J. C. Briggs, 2011. Don’t judge species on their origins. Nature 474, p. 153-154.

N.Myers, R.A. Mittermeier, C. G. Mittermeier, G. A. B. da Fonseca & J. Kent, 2000. Biodiversity hotspots for conservation priorities. Nature 403, p. 853-858.