Wetenschapsjournalist Hans van Maanen belde. Wat ik vond van het persbericht van professor Verbeke, was zijn vraag. Ik moest toegeven dat ik het nog niet had gezien. Wat bleek: de bijzonder hoogleraar Sales en Account Management van de Erasmus Universiteit beweert het ‘nieuwsgierigheidsgen’ gevonden te hebben. Zijn conclusies zijn opmerkelijk, vooral gezien zijn relatie met het betreffende onderzoeksveld; een marketingsprofessor op genetica-ijs.

Van Maanen maakte dit opmerkelijke bericht onderwerp van zijn rubriek ‘Twijfel’ die iedere week in de zaterdageditie van de Volkskrant verschijnt. Professor Verbeke heeft samen met collega’s uit de VS varianten gevonden in de genen DRD2 en DRD4. Deze varianten  bepalen de klantgerichtheid van verkopers, zo luidt de conclusie van het artikel dat zij binnenkort publiceren in The Journal of the Academy of Marketing Science. Van Maanen merkt terecht op dat DRD2 en DRD4 oude bekenden zijn voor vele genetici. Het gaat hier om dopamine-receptor-genen, die al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw in verband zijn gebracht met onder andere schizofrenie, ADHD en verslavingsgevoeligheid. Welk verband de onderzoekers daadwerkelijk gevonden hebben, hangt dus sterk af van de definitie van het fenotype ‘klantgerichtheid’. En zelfs als het allemaal klopt, zo schrijft Van Maanen, dan nog betekent een verband niet dat er sprake is van causaliteit. Ten slotte doen de onderzoekers de absurde suggestie om een test voor DRD-varianten in te zetten bij het werven en selecteren van marketeers. Allemaal redenen waarom we dit onderzoek met een grote korrel zout moeten nemen, vindt ook Van Maanen.

Pas achteraf – nadat ik Van Maanen had gesproken – besefte ik wat hier eigenlijk aan de hand was; een professor met een behoorlijke staat van dienst trekt conclusies op basis van resultaten waar hij niet vertrouwd mee is. De vraag rijst dus, of een marketingprofessor zich wel moet inlaten met genetica? Of met neuro-imaging, zoals Verbeke in 2009 al deed? Eigenlijk niet, is de eerste gedachte. Maar waarom eigenlijk niet? Verbeke is met zijn onderzoek toch het toonbeeld van interdisciplinair onderzoek?

Dat mag zo zijn, maar Verbeke maakt in zijn onderzoek een kapitale fout die wetenschappers vaker maken: hij interpreteert de resultaten naar eigen inzicht. Om te komen tot een wetenschappelijk verantwoord model voor werving en selectie van marketeers zet hij alle mogelijke middelen in – DNA-tests, hersenscans – om de resultaten ervan vervolgens in zijn model te passen. Verbeke had er verstandig aan gedaan de genetische resultaten eerst te laten interpreteren door zijn Amerikaanse collega’s – waaronder genetici, naar ik aanneem – alvorens dit persbericht uit te sturen.

Hoewel ‘interdisciplinair’ een modewoord is dat de afgelopen jaren veel gebruikt is in onderzoeksvoorstellen, heeft het zijn hoogtijdagen alweer achter de rug. Toch is de hoofdgedachte overeind gebleven: wil je komen tot oplossingen voor grote maatschappelijke vraagstukken (ziekte, voedsel, energie), dan moet je over je eigen discipline kunnen heenstappen. Verbeke voegt de daad bij het woord, maar trapt in de bekende interdisciplinaire valkuil; redeneren naar het eigen veld. Het opzetten en samenvoegen van verschillende typen onderzoek is geen enkel probleem. Het correct interpreteren van de resultaten; dat vereist – soms tot vervelens toe – uitleg, overleg, en herziening.

Daarom hoort een marketingprofessor zich (nog) niet uit te spreken over genetica, net zo min als een geneticus iets zinnigs te zeggen heeft over marketing. Dit is echter geen pleidooi voor het vasthouden aan grenzen die er nu zijn, of bescherming van het eigen onderzoeksveld. Integendeel, ik pleit juist voor meer blikken over schuttingen, doch met gepaste voorzichtigheid.