Honingbijen zijn soms pessimistisch, blijkt uit zorgvuldige studies naar hun emoties. Maken ze met dit soort gevoelens meteen aanspraak op stemrecht in onze mensenmaatschappij?

Eind vorige eeuw waren de verhoudingen tussen mens en dier glashelder. Mensen hielden dieren gevangen om ze te knuffelen of op te eten, en niet-gedetineerde dieren konden kiezen om ofwel uit de buurt van de mens te blijven, ofwel het risico te lopen als ongedierte verdelgd te worden.

De verstandhouding met onze evolutionaire medereizigers is echter aan behoorlijke fluctuaties onderhevig. Terwijl Darwin ooit – geheel in lijn met eeuwenoude Boeddhistische opvattingen over dieren – schreef dat ‘de lagere dieren, net als de mens, ostentatief plezier en pijn, blijdschap en verdriet voelen’ was er in de eeuw na zijn dood in het grootste deel van de wereld weinig ruimte voor de gevoelens van de andere dieren in de biosfeer.

Nu lijkt de technocratische benadering van andere levende wezens toch weer uit zwang te raken. Wetenschappers raken opnieuw geïnteresseerd in de bestiale belevingswereld, en ook in de politiek is dit standpunt in opkomst: de PvdD eist bijvoorbeeld ‘een einde aan dieronvriendelijke tradities als kerststallen met levende dieren en dieronvriendelijke volksspelletjes als swientje tikken en ganstrekken.’

karakter
Elegante experimenten toonden in de laatste jaren wat iedere leek die ooit met twee katten in een kamer heeft gezeten ook had kunnen melden: spreeuwen, honden, ratten, schapen en kippen vertonen gedrag dat duidt op gevoelsleven. Noem het een ziel, een karakter, emoties of intuïtie, de dieren zijn ook wat het innerlijk voelen betreft tot op zekere hoogte vergelijkbaar met onszelf.

Vanuit een neurobiologisch perspectief is dit evenmin wereldschokkend, want het grootste deel van ons gevoelsleven wordt bestuurd vanuit de evolutionair gezien oudere stukken van onze hersenen, en die lijken enorm op die van verwante soorten zonder zorgen over iPhones en hypotheken. Als u bang, boos of geil bent doet u dat met dezelfde hersendelen als uw hond; alleen wanneer u over sudoku’s, Bachpreludes of de beste belastingaftrekposten denkt gebruikt u de enorme hersenschors die ons van bijvoorbeeld de schildpadden en vogels onderscheidt.

emotietestjes
Maar hoe relevant zijn dierlijke gevoelens voor onze omgang met onze planeetgenoten? En waar trekken we de grens tussen gevoelige en ongevoelige beesten?

Gevoelens blijken namelijk niet alleen te vinden bij gewervelde dieren, maar ook bij insecten, zoals de honingbij. Britse neurobiologen ontdekten dit door de beestjes bloot te stellen aan aangepaste emotietestjes voor ratten, en het lukte hen om bij de honingbijen een positief of negatief gevoel op te wekken (Current Biology, 21 juni).

suikerwater
Eerst trainden ze de bijenwerden de bijen getraind in het cognitief koppelen van verschillende geuren aan een beloning in de vorm van suikerwater, of juist een bestraffing in de vorm van water met het bittere kinine. Na twaalf trainingsrondjes stak het grootste deel van de bijen bij de correcte stimulus hun opzuigslurf (proboscis) uit bij het suikerwater, of hield hem bij de bittere oplossing juist binnenboord.

Daarna kregen de bijen verschillende tussenvormen van geuren aangeboden, om de zojuist opgedane kennis te testen. Vlak daarvoor echter brachten de onderzoekers de helft van de bijen in een staat van angst, door de insecten zestig seconden flink door elkaar te schudden – iets wat bijen in het wild alleen overkomt als een honing-etend roofdier het bijennest probeert te plunderen.

pessimistisch
De stressprikkel maakte de bijen beduidend pessimistischer over de kans dat de onduidelijke geurprikkel betekende dat ze lekker zoet water voorgeschoteld kregen. Bij een duidelijk positieve geur staken ze nog even graag hun proboscis uit, maar bij een ambigu geurtje hielden de gestreste bijen hun slobberorgaan bij zich.

Honingbijen kunnen dus door stress tot pessimistisch gedrag worden aangezet, en lijken zo vergelijkbare ervaringen te hebben als honden, ratten, kippen en mensen. We moeten onder ogen zien dat wij net als zij onderhevig zijn aan biologische processen die ons gedrag afstemmen op de omstandigheden van het moment.

De enige logische conclusie is dan ook dat het concept emotie geen fundamenteel onderscheidende waarde heeft als het om het verschil tussen mens en dier gaat. Een koe met een mes in zijn nek ervaart dezelfde animale doodsangst als een mens in dezelfde situatie – wat uit filosofisch oogpunt misschien wel te prefereren valt boven een instantaan, mechanisch einde.

hypocriet
Dat we op gevoelsniveau niet veel verschillen van andere levende have betekent niet dat we daaruit hypocriete of onrealistische conclusies moeten trekken. Dankzij onze enorme hersenschors is een gelijkwaardige positie ten opzichte van de rest van de dieren een utopie, maar we kunnen die denkkracht wel gebruiken om in te zien dat onze belangen voor een groot deel samenvallen met die van het andere leven op de planeet.

Als het om dierenwelzijn gaat is het beter om onze primitieve gevoelens te laten voor wat ze zijn, en onze turbo-hersenen te laten doen wat ze het best kunnen: oplossingen zoeken, in dit geval om de voedselwebben van de aarde weer meer in balans te brengen, liefst op een manier die zo min mogelijk voelende individuen angst aanjaagt of pessimistisch maakt. Een optimistische bij maakt immers meer honing.