Valorisatie, het commercieel uitbaten van kennis, neemt in het wetenschapsbeleid een steeds meer centrale plek in. Beleidsmakers en politici willen dat wetenschappelijke resultaten worden vertaald naar nuttige toepassingen en hebben daartoe in de afgelopen jaren een flink aantal organisaties ondersteund. Alleen al op het gebied van genomics kunnen wetenschappers de hulp inroepen van het Netherlands Genomics Initiative, Science Alliance, AgentschapNL en Technologiestichting STW. En dan hebben universiteiten ook nog hun eigen Technology Transfer Offices.

In het afgelopen decennium heeft deze hulp ongetwijfeld bijgedragen aan het genereren van economische activiteit. Tegelijkertijd is er echter ook een maatschappelijk debat ontstaan waarin vragen worden gesteld bij de betekenis en dominantie van valorisatie in het wetenschapsbeleid. De Jonge Academie vreest bijvoorbeeld dat andere waarden van de wetenschap – zoals waarheidsvinding, bijdragen aan de kwaliteit van leven en het geven van kritisch tegengeluid – in het beleid onderbelicht blijven. Wetenschap krijgt teveel een instrumentele betekenis, wat de suggestie wekt dat wetenschap geen intrinsieke waarde heeft.

Daarnaast is er ook kritiek op de eenzijdige economische invulling van valorisatie. Onderzoekers moeten zich verantwoorden op basis van economische maatstaven zoals het aantal patenten en samenwerkingsverbanden met bedrijven. Maar niet alle maatschappelijk relevante vondsten zijn te patenteren en commercieel exploiteerbaar. Het ontbreekt aan aandacht voor het veel lastiger meetbare criterium van maatschappelijke valorisatie. Het verband tussen een gen en een ziekte is bijvoorbeeld maatschappelijk relevant, maar patenteren wordt vaak als ongepast ervaren, zeker als het genetische effect niet zo heel groot is.
Tenslotte, wanneer kun je van een wetenschapsgebied valorisatie verwachten? Er moet al een behoorlijke mate van ontwikkeling zijn voordat resultaten exploiteerbaar zijn. Voor gebieden die dat stadium nog niet hebben bereikt zou valorisatiebeleid wel eens remmend kunnen werken. Het van bovenaf opleggen van valorisatie-eisen kan dan leiden tot reacties van onmacht, onwil of ‘strategisch valoriseren’: het aanvragen van nutteloze patenten. Dat roept de vraag op of het niet verstandiger is om in het valorisatiebeleid meer rekening te houden met relevante onderscheidingen in de wetenschapspraktijk.

Een illustratie van dit laatste punt is te vinden als je de stand van de wetenschap op het gebied van reumatoïde artritis of de spierziekte van Duchenne vergelijkt met die van depressie of de ziekte van Alzheimer. Economische valorisatie gebeurt in de eerste twee gevallen. Het gen voor Duchenne spierdystrofie is al zo’n dertig jaar bekend en in de afgelopen tien jaar zijn belangrijke vorderingen gemaakt met het beïnvloeden van de manier waarop dit gen werkt. Onderzoekers in Leiden zijn bezig met een therapie die de ziekteverschijnselen aanmerkelijk milder kan maken. Naar verwachting komt deze therapie binnen enkele jaren beschikbaar. Ook op het gebied van reumatoïde artritis zijn interessante vorderingen gemaakt. Door onderscheid te maken tussen verschillende typen patiënten kunnen reumatologen in de toekomst wellicht beter voorspellen hoe een bepaalde therapie aan zal slaan, waardoor ze patiënten een niet-werkend medicijn kunnen besparen. Deze ontwikkelingen worden opgepakt door kleine biotechnologiebedrijfjes, die weer de nodige werkgelegenheid en economische activiteit genereren.

Er is echter geen economische valorisatie van het onderzoek naar de ziekte van Alzheimer of depressie. Op deze gebieden wordt weliswaar met de modernste technologie onderzoek gedaan naar genen die betrokken zijn bij de aandoening, maar de resultaten zijn voorlopig teleurstellend. Genetisch onderzoek naar de ziekte van Alzheimer heeft nauwelijks bijgedragen aan nieuwe mogelijkheden voor preventie, vroege diagnostiek of behandeling. Toch is het wel van groot maatschappelijk belang dat dit onderzoek doorgaat. Het genetisch onderzoek geeft hints voor de identificatie van onderliggende mechanismen die bij de ziekte betrokken zijn, en dat is voor medicijnontwikkeling onmisbaar. Bovendien kan het onderzoek inzicht geven in verschillende typen van de ziekte van Alzheimer, die op verschillende manieren behandeld moeten worden. Ook al is dergelijk inzicht niet patenteerbaar, we kunnen hier wel degelijk van valorisatie spreken. Maar dan in een bredere betekenis.

De Nederlandse overheid ziet genomics als een strategisch onderzoeksgebied. Investeringen in onderzoek moet zich terugbetalen door het scheppen van nieuwe banen in bedrijven die kennis omzetten in medische toepassingen. Het verlenen van subsidies gebeurt op voorwaarde dat onderzoekers zich inspannen om kennis te patenteren en verkopen. De vraag is nu hoe dwingend die voorwaarden moeten zijn. Ziet de overheid valorisatie vooral als een instrument voor economisch beleid, dan zouden deze voorwaarden alleen moeten gelden voor onderzoeksgebieden waar ook daadwerkelijk iets te valoriseren valt. In het onderzoek naar Duchenne of artritis bestaan reeds aanknopingspunten. Maar onderzoeksgebieden als de ziekte van Alzheimer en depressie moeten dan worden ontzien.

Wil ze valorisatiedoelstellingen echter ook koppelen aan deze moeilijke gebieden, dan is het cruciaal om een bredere opvatting van valorisatie te hanteren. Deze gebieden kunnen namelijk alleen ‘beloond’ worden als bijvoorbeeld de bijdrage aan nieuwe diagnostische criteria van Alzheimer of het inzicht in de genetische oorzaken van depressie ook meetellen. Hier kan het criterium van maatschappelijke valorisatie een belangrijke aanvulling op economische valorisatie zijn. Dat roept echter wel weer een nieuwe vraag op: hoe meetbare doelstellingen aan dit lastige criterium te verbinden?

Dr. Roel Nahuis is postdoctoraal onderzoeker aan de afdeling Science, Technology and Policy Studies van de Universiteit Twente. Deze publicatie is é
én van de uitkomsten van het project ‘Genomics in de gezondheidszorg: Nieuwe vormen van innovatie’ gefinancierd door het Center for Society & Genomics.