Natuurkunde en geld hebben al een lange historie, het was namelijk Isaac Newton, niet de minste fysicus, die aan het eind van de 17e eeuw de goudstandaard voor geld invoerde. Daarnaast hield hij als muntmeester een meedogenloos beleid tegen valsmunters door ze zonder pardon op te hangen.

Tegenwoordig wordt valsmunterij moeilijk gemaakt door heel geavanceerde biljetten te maken. Maar, zou een valsmunter dezelfde apparatuur hebben als de bank dan kan hij in principe een vals biljet maken dat niet van het echte biljet te onderscheiden is. Sinds vorig jaar begint binnen de natuurkunde het zogeheten quantum geld weer meer aandacht te krijgen, aangezien een quantumbiljet per definitie niet na te maken valt.

Quantummechanica beschrijft de natuur op veel kleinere schaal dan onze belevingswereld. Op deze schaal vertoont bijvoorbeeld een enkel atoom bijzondere eigenschappen die voor ons moeilijk voor te stellen zijn, en dit kan gebruikt worden voor informatieopslag. Gangbare (digitale) informatie is opgeslagen in bits, die of 0 of 1 zijn. Quantummechanische objecten, zoals een elektron of atoom kunnen gebruikt worden als quantum-bits (qubits). Deze qubits kunnen net als gewone bits 0 of 1 zijn, maar door hun quantummechanische eigenschappen kunnen ze zich ook in een superpositie van 0 en 1 bevinden. In zo’n superpositie is de qubit tegelijk 0 en 1, totdat je hem uitleest (een meting doet) waardoor je of 0 of 1, maar niet de superpositie zelf meet. Dit is moeilijk voor te stellen, maar blijkt te kloppen, en het concept dat een meting een toestand beïnvloedt vormt de basis van quantumgeld.

Op een quantumbiljet bevinden zich een aantal qubits die zich in een superpositie van nullen en enen bevindt. In deze superpositie is het serienummer van het betreffende biljet opgeslagen.  Als een valsmunter dit biljet vervolgens wil kopiëren moet hij het serienummer lezen waardoor hij de superpositie zal vernietigen, het biljet onomkeerbaar zal veranderen en daarmee het biljet ongeldig maken. De bank weet hoe de superpositie is opgesteld en kan wel controleren of deze nog intact is. Deze methode verzorgt dus een sterke beveiliging tegen kopiëren, maar direct ook een probleem; alleen de bank kan de echtheid van een biljet verifiëren, en moet dus bij alle transacties betrokken zijn.

Dit was de status quo tot vorig jaar onderzoekers van MIT een type quantumgeld bedachten dat wel door iedereen op haar echtheid te controleren valt maar nog steeds niet te kopiëren is. De onderzoekers stellen een methode voor waarbij het biljet naast de quantumtoestand ook een nummer gerelateerd aan de quantumtoestand bevat. Met dit nummer kan altijd gemeten worden of de superpositie al dan niet verandert en dus of het biljet wel echt is. Daarentegen kan op basis van dit nummer de quantumtoestand zelf niet gemaakt worden, een vorm van eenrichtingverkeer dus; wel controleren, maar niet namaken. Het vinden van deze unieke relatie tussen de quantumtoestanden en hun bijbehorende nummers veroorzaakte een opleving van het onderzoek naar quantumgeld.

De praktische uitvoering van een quantum-joetje laat helaas nog even op zich wachten. Handzame quantummechanische systemen zijn namelijk op dit moment nog maar voor een paar seconden stabiel; nog niet erg praktisch dus. Maar elke paar maanden wordt er weer een nieuwe truc gevonden om de stabiliteit weer wat langer te maken. Quantumgeld dat minstens een paar weken bruikbaar is lijkt dus haalbaar. Misschien lijkt dit wat kort, maar geld moet tenslotte rollen.