Ik ben traag in het bijstellen van mijn zelfbeeld. Ik vind dat ik beter chauffeer dan gemiddeld, en daar blijf ik overtuigd van, ook al weet ik dat 80% van u dat ook van zichzelf vindt– en dus één op de drie Groene Amsterdammerlezers zichzelf daarin overschat, want per definitie is 50% van ons slechter dan gemiddeld. Als wetenschapper heb ik geleerd om soepel nieuwe informatie te verwerken, om zelfs te zoeken naar observaties die tegen mijn overtuiging ingaan. Waarom ben ik daar zo slecht in als het om mijn zelfbeeld gaat?

Een econoom van de Universiteit van Amsterdam, Jeroen van de Ven, heeft dat samen met twee Amerikaanse economen onderzocht*. De vraag die zij beantwoorden is: vinden we ons te mooie zelfbeeld gewoon lekker, ondanks dat we soms het deksel van de werkelijkheid op de neus krijgen, of doen we aan zelfbedrog omdat zelfoverschatting handig is in de buitenwereld? De economen lossen met dit experiment terloops ook het raadsel op van de salariskloof tussen mannen en vrouwen.

Ten eerste laten de onderzoekers zien dat ik niet de enige ben die het lastig vindt om zijn zelfbeeld omlaag bij te stellen. Na een intelligentietest, waarin 65% zichzelf inschatte als slimmer dan gemiddeld, zorgde negatieve feedback over hun functioneren er niet voor dat de deelnemers hun zelfbeeld herzagen. De kwaliteit van een neutraal object, een machine, werd wel correcter (lager) ingeschat na diezelfde feedback. Het oordeel over jezelf herzien bleek dus echt moeilijker dan over iets neutraals.

Om te zien of die systematische zelfoverschatting bedoeld is voor de buitenwereld of alleen om ons zelfbeeld in stand te houden, kreeg een tweede groep deelnemers na de test, maar voor de zelfrapportage, uitgelegd dat hun zelfvertrouwen aan een andere deelnemer getoond zou worden. Op basis daarvan moest de ander kiezen om een intelligentiewedstrijd aan te gaan, of om een vast maar kleiner bedrag zonder competitie te ontvangen. Bluffen over je score kon je dus duur komen te staan; aan de andere kant was het een goede manier om onder de competitie uit te komen. Een derde groep deelnemers kreeg uitgelegd dat hun zelfrapportage aan anderen getoond zou worden, maar zonder dat daar een wedstrijd op volgde.

Het belangrijkste resultaat is dat mensen zichzelf in sociale situaties nog meer overschatten dan anders. Specifieker: dat mannen in situaties waarin hun zelfvertrouwen zichtbaar is voor anderen zichzelf nog 10% meer dan anders overschatten. Blijkbaar zit er toch een sociale component aan ons zelfbeeld. Het bluffen had ook effect: een groot zelfvertrouwen schrok andere deelnemers vaker af om de competitie aan te gaan. Toch was dat geen bewuste strategie. Ook in de derde groep, waarin het gerapporteerde zelfvertrouwen alleen aan iemand getoond zou worden zonder dat er een wedstrijd op volgde, schoot het omhoog.

Bij de vrouwelijke deelnemers maakte de sociale setting geen verschil. Zij overschatten zichzelf in alle groepen evenzeer. Dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in competitieve functies zou dus weleens een andere reden kunnen hebben dan vaak wordt aangenomen. Ze hebben geen intrinsieke afkeer van competitie (en ook geen lagere intelligentie), ze missen alleen die onbewuste, maar zeer strategische zelfoverschatting die mannen vertonen. Hoe doen die mannen dat toch, slechte eigenschappen in geld omzetten – en dat ook nog onbewust?

*working paper: Self-confidence and strategic detererrence. Gary Charness, Aldo Rustichini, Jeroen van de Ven, 2011.