Het gebeurt niet alle dagen dat er een nieuw onderzoeksinstituut uit de grond wordt gestampt. En dan bedoel ik niet een nieuwe naam voor iets ouds na een fusie ofzo, maar echt nieuw. Toen dat laatst in Wenen wel gebeurde was mijn interesse snel gewekt. Het Institute for Science and Technology Austria (ISTA) werd in 2008 opgericht en bestaat nu uit ongeveer 100 mensen. Ik was laatst in Wenen en maakte van de gelegenheid gebruik om het ISTA te bezoeken.

Het ISTA is niet alleen nieuw maar ook superambitieus. Ze willen straks kunnen concurreren met Harvard en MIT. Ik was benieuwd hoe ze dat willen gaan doen!

De eerste wetenschapper die naar het ISTA kwam was Nick Barton, nu ongeveer 2 jaar geleden. Barton is één van de grote evolutiebiologen van deze tijd. Terwijl we goede koffie drinken in het café van het instituut vraag ik hem hoe hij ertoe was gekomen als eerste wetenschapper naar een nieuw en onbekend instituut te verhuizen. Barton vertelt dat hij vooral overtuigd was geraakt door de goed doordachte plannen voor het instituut. De initiatiefnemers hebben gekeken naar andere succesvolle instituten en hebben de beste ideeën overgenomen. Hun belangrijkste voorbeeld is het Weizmann Institute in Israel, een plek die altijd hoog staat op de “beste plek om te werken”-lijstjes.

Net als bij het Weizmann Institute ligt de nadruk bij het ISTA op natuurwetenschappelijk onderzoek, maar de precieze onderwerpen waaraan gewerkt wordt staan niet van te voren vast. De gedachte daarachter is dat je de beste wetenschappers binnen kunt halen als je zo breed mogelijk zoekt. Iedere groepsleider is onafhankelijk en er zijn geen faculteiten of afdelingen. Het instituut heeft ook een PhD programma, maar biedt geen onderwijs voor jongere studenten. Dat leidt in Wenen wel tot jaloezie. De Universiteit van Wenen loopt namelijk over van de studenten, met bijna 15.000 eerstejaars studenten!

Nick Barton geeft me een korte rondleiding door de gebouwen van het ISTA. De nieuwe gebouwen op een campus net buiten Wenen en zijn ontworpen om interdisciplinaire discussies te promoten. De luxe koffie-apparaten staan bijvoorbeeld op de brug tussen het laboratoriumgebouw en het gebouw met kantoren. Op veel plekken staan whiteboards die als het ware vragen om discussie met stift in de hand, en ik zie dat ze ook gebruikt worden.

Het ISTA bestaat inmiddels uit 14 onderzoeksgroepen. Eén van de nieuwe groepsleiders is John Bolback. Hij is bioloog en werkt hier sinds een paar maanden. Hij vertelt dat hij inderdaad al uitgebreid heeft gepraat met zijn computer-science collega’s. Voor hem was het interdisciplinaire karakter van het instituut dan ook de belangrijkste reden om naar Wenen te verhuizen.

Zou het echt werken? Interdisciplinair met 14 net beginnende groepjes is misschien makkelijker dan over een paar jaar met 50 groepen. En om te concurreren met Harvard is een instituut met 50 groepen dan weer te klein. Maar dat het een interessant instituut wordt, daar lijkt me geen twijfel aan. Ik verwacht dat het vooral goede jonge wetenschappers zal aantrekken. Er zijn tenslotte in Europa niet zoveel plekken waar je als jonge wetenschapper een baan kan krijgen met een ruim onderzoeksbudget, echte wetenschappelijke vrijheid en vrijwel geen onderwijsverplichtingen. Ik denk dan ook dat het wel eens heel snel een van de beste plekken in Europa zou kunnen worden om als wetenschapper te werken of om te promoveren. Met een hoog niveau en veel geld zoals de Max Planck instituten in Duitsland, maar veel democratischer, zonder de almachtige Max Planck directeuren, dus met meer ruimte voor meer onafhankelijke wetenschappers en creatieve, interdisciplinaire projecten.