Natuurbeschermers richten zich traditioneel op het in originele staat conserveren van ecosystemen, en voor door menselijke inmenging geïntroduceerde uitheemse soorten is daarin geen plaats. Eigenwijze ecologen willen dat standpunt herzien: sommige exoten dragen wel degelijk hun steentje bij.

 ‘De enige goede Amerikaanse Vogelkers is een dode Amerikaanse Vogelkers’, leerde een boswachter mij ooit tijdens een schoolreisje. Met dertig klasgenoten veegden we die dag alle uitheemse struiken van een flink stuk heide af.

In de afgelopen miljarden jaren evolutie hebben planten- en diersoorten zich regelmatig in andere ecosystemen een plaats veroverd dan waar ze oorspronkelijk voorkwamen, maar de actieve en passieve introducties door de mens katalyseren dat proces enorm. De Britten brachten konijnen en daarna vossen naar Australië, de Spanjaarden de pokken naar Amerika, de Kenianen nijlbaarzen in het Victoriameer en de Nederlanders plantten in de jaren twintig met goede bedoelingen Amerikaanse Vogelkers in hun bossen.

De archetypische exoot ontwikkelt zich bij gebrek aan natuurlijke vijanden tot een plaag, en benadeelt daarmee de inheemse soorten. Sommigen verspreiden ziekten, anderen nemen de ecologische functie van inheemse soorten over, en op Nieuw Zeeland leidde de introductie van vraatzuchtige katten en honden tot het bijna-uitsterven van plaatselijke loopvogelsoorten zoals de kiwi en de kakapo.

Plagen van allochtone soorten veroorzaken jaarlijks volgens ruwe schattingen voor miljarden dollars economische schade en de International Union for Conservation of Nature houdt een top honderd van de meest gevreesde invasieve exoten bij. De boodschap is duidelijk: invasieve soorten staan bij vrijwel iedereen op de zwarte lijst.

Een publicatie in Conservation Biology met de titel The Potential Conservation Value of Non-Native Species klinkt dan ook als een mogelijke career-killer voor de Frans/Amerikaanse auteurs. De kritiek op hun paper is dan ook – zelfs naar wetenschappelijke maatstaven – ferm: het gros van de ecologen lijkt nog niet klaar voor een meer genuanceerde beschouwing van uitheemse soorten.

De drie dappere ecologen geven in hun artikel echter allerlei voorbeelden van uitheemse soorten die wel degelijk een verrijking vormen van het ecosysteem waar ze naartoe zijn gemigreerd. Sommige geïntroduceerde boomsoorten bijvoorbeeld zijn volgens hen veel succesvoller in het tegengaan van erosie, de uitheemse Japanse brilvogel levert op Hawaï een belangrijke bijdrage aan het verspreiden van inheemse plantenzaden en de Pacifische oester is een sterke vervanger voor de door ziekte geteisterde lokale oestersoorten.

Sommige soorten zijn zodanig ingeburgerd dat ecologen zich nauwelijks meer beseffen dat ze ooit immigrant zijn geweest. Biologen maken zich grote zorgen over de mysterieuze ziekte die momenteel honingbijen in Amerika treft, omdat die insecten een belangrijke bijdrage leveren aan de verspreiding van pollen. Tot hun introductie rond 1600 kwamen honingbijen in de Nieuwe Wereld echter helemaal niet voor.

Het klakkeloos verketteren van allochtone soorten is kortom hypocriet, en natuurbeheerders zouden volgens de ecologen ook moeten kijken naar de positieve effecten van invasieve soorten. Ze pleiten voor ecologisch utilisme: als een exoot een netto bijdrage levert aan de duurzaamheid en stabiliteit van het ecosysteem mag hij blijven. We moeten niet kijken naar hoe ecosystemen er honderden jaren geleden uitzagen, maar onze strategieën ontwikkelen op basis van hoe de soortengemeenschap er in de toekomst uit moet zien.

Onder ecologen is het op hun prestaties beoordelen van uitheemse soorten voorlopig nog een exotisch idee. Daarnaast is het voor net geïntroduceerde ideeën ook altijd de vraag of ze echt de stap naar een gevestigde denkrichting kunnen maken. Tot dat moment zit er voor xenofobe ecologen niets anders op dan tijdens het eten van Hollandse aardappelen even niet aan hun Amerikaanse roots te denken.