Talkshow Nzon

Een onderzoeker is een wereldvreemde, niet sociaal vaardige nerd in labjas met veiligheidsbril en weinig gevoel voor elegantie, tenminste, dat is het klassieke beeld. Maar tijden veranderen en in deze eeuw, waarin ook onderzoek aan grote bezuinigingen moet geloven (zie recent artikel), is dit beeld aan het veranderen. Niet alleen zien wetenschappers er tegenwoordig vaak best representatief uit, ook hun functie is niet meer dezelfde: een onderzoeker moet meer kunnen dan alleen maar slim zijn. Maar wat is de X-factor om ook in de 21e eeuw een succesvol onderzoeker te zijn?

Geld, geld, geld
Het gaat in de wetenschap vooral om het binnenhalen van genoeg geld voor onderzoek. Onderzoekers concurreren keihard met elkaar om schaarse beurzen van publieke organisaties – meer dan 1000 aanvragen voor 100 beurzen is geen uitzondering. Om ervoor te zorgen dat precies jouw onderzoek gefinancierd wordt, en niet dat van je collega, moeten je meer in je mars hebben dan een goed stel hersens.

Een groot deel van (medisch) onderzoek wordt bekostigd uit geld afkomstig van farmaceutische bedrijven, patiëntenorganisaties en goede doelenorganisaties. Deze willen product-, patiënt- of behandelingsgericht onderzoek financieren en zijn vooral geïnteresseerd in resultaten. Ook de politiek speelt bij het financieren van onderzoek een rol, er worden bijvoorbeeld per kabinetsperiode thema’s geselecteerd die op dat moment belangrijk zijn. Maar bij zulke politieke beslissingen worden spannende termen als “nanotechnologie” sneller gekozen dan bijvoorbeeld minder sexy maar wel belangrijk onderzoek naar insecten.

Zie zo als onderzoeker nog maar eens fundamenteel onderzoek te bekostigen… Wat als jouw onderzoek niet binnen een thema valt of gaat om een zeldzame ziekte? Hoe krijg je dat geld dan toch? Daar komt die X-factor om de hoek. Fundamenteel onderzoek naar celdeling kan zeker belangrijk zijn voor het begrip over kanker, en het bestuderen van de embryonale oorsprong van één type cellen in de kleine hersenen kan vallen onder een modieus politiek thema. Maar om dit duidelijk te maken moet je wel een vlotte pen hebben! Dat helpt om door de eerste ronde van een subsidie-aanvraag heen te komen.

Maar dan volgen de interviews, en dit is iets héél anders dan een presentatie houden op de universiteit. Bij zo’n interview, een soort sollicitatie, moet je jezelf en je onderzoek verkopen aan een subsidie-commissie met vaak leden uit heel andere vakgebieden. Als zelfbewuste onderzoeker met een makkelijke babbel heb je hierbij een duidelijk grotere kans om geld binnen te halen dan als “klassieke”, niet-sociaal vaardige wetenschapper.

De populaire wetenschapper
Een onderzoeker wordt zo (onbewust) ook schrijver én TV-ster. Een direct gevolg daarvan zijn wetenschapsblogs zoals Sciencepalooza, optredens van wetenschappers in TV-programma’s als De Wereld Draait Door en wedstrijden als de Academische Jaarprijs. Subsidiecommissies zien het als pluspunt als een onderzoeker actief is op het gebied van de wetenschapscommunicatie. Zullen deze ontwikkelingen leiden tot een opwaartse spiraal, waarin de onderzoeker die het vaakst op TV is of de meeste artikelen in de krant schrijft het meeste geld binnenhaalt? Tot TV-programma’s waarin het publiek, naast de deskundige vakjury, mee kan beslissen over welk onderzoek gefinancierd gaat worden?
Zo ver zal het vást niet lopen, maar de moderne veranderingen hebben zeker een positieve kant. De stoffige wetenschapper uit de jaren ’70 wordt gestaag vervangen door een hippe schrijver/tv-ster die leuk kan praten en ook nog eens slim is. Voor u als lezer is het alleen maar positief dat de wetenschapper zijn ivoren toren uitkomt en met beide benen in de maatschappij staat. Door niet vies te zijn van media-optredens kunnen onderzoekers een belangrijke bijdrage leveren aan de maatschappij en kan iedereen via televisie, internet of de krant meegenieten van de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen.

Lang leve de moderne, populaire wetenschapper!

Dit artikel verscheen ook op de Opiniepagina van de Volkskrant