Als u medicijnen moet slikken, wilt u het liefst zeker weten dat ze werken. Soms kunnen genetische tests helpen om te voorspellen of een middel bij een bepaalde patiënt aan zal slaan. Bij hiv-patiënten worden zulk soort tests niet met de genetische informatie van de patiënt maar die van het virus gedaan. De genetische informatie van het virus kan ons namelijk vertellen of het virus resistent is tegen bepaalde hiv-remmers. Als het virus resistent is tegen de ene hiv-remmer, dan kan een patiënt beter een andere nemen.

Neem het veelgebruikte middel efavirenz. Bij ongeveer 5% van de nieuw-geïnfecteerde patiënten is het virus al resistent tegen efavirenz. Dat kan bijvoorbeeld als de patiënt hiv heeft gekregen van iemand die lang efavirenz heeft geslikt, en bij wie het virus resistent is geworden. Daarom wordt er tegenwoordig een genetische test gedaan voordat een hiv-patiënt met de behandeling begint. Maar ook als het virus volgens de test niet resistent is, kan dat door evolutie snel veranderen.

Een hiv-patiënt die nog geen remmers slikt heeft veel virus in zijn lichaam, gemiddeld 100.000 virusdeeltjes per milliliter bloed. Omdat het virus razendsnel verandert (muteert) zijn de virusdeeltjes niet allemaal genetisch identiek. Het kan dus zijn dat een klein deel van het virus in een patiënt al resistent is tegen efavirenz, zelfs voordat met efavirenz begonnen wordt. De normale genetische test pikt zulke kleine hoeveelheden resistent virus niet op. Er is nu een nieuwe, supergevoelige test die efavirenz-resistentie kan detecteren zelfs als maar een klein deel van de virusdeeltjes resistent is.

Een groep Amerikaanse onderzoekers wilde weten of ze met deze nieuwe test konden voorspellen bij welke patiënten resistentie zou ontstaan en bij welke niet. Deze patiënten zouden dan namelijk beter met een andere hiv-remmer behandeld kunnen worden. De onderzoekers beschikten over bloedmonsters van patiënten die volgens de standaard-test geen efavirenz-resistentie hadden toen ze begonnen efavirenz te slikken. Echter, bij een deel van deze patiënten was het virus na de start van de behandeling heel snel resistent geworden.

Tot hun verassing ontdekten de onderzoekers dat in veel van de patiënten vóór de behandeling ongeveer één op 1000 virusdeeltjes resistent was (en bij 100.000 virusdeeltjes per milliliter bloed zijn dat veel resistente virusdeeltjes!). In deze groep kwam het dan ook relatief vaak voor dat efavirenz niet werkte, maar in meer dan de helft van deze patiënten werkte de remmer prima! De resistente deeltjes leken te zijn verdwenen. Hoe kan dat?

De verklaring zou in de gevoeligheid van de meting kunnen liggen, maar we kunnen deze ook zoeken in een factor die een belangrijke rol speelt in evolutie: toeval. In simpele computersimulaties van het virus in een patiënt winnen soms de resistente deeltjes, zodat efavirenz nutteloos wordt, en soms winnen de niet-resistente deeltjes zodat efavirenz blijft werken. De uitkomst is niet te voorspellen. Net alsof we een munt opgooien. Als dat in een echte patiënt ook zo is, kunnen we meten tot we een ons wegen, maar we zullen nooit met zekerheid kunnen voorspellen of efavirenz aan zal slaan.

Een genetische resistentiebepaling is zinvol voor iedere patiënt die aan een behandeling met hiv-remmers begint. Maar voor patiënten die volgens de normale test geen efavirenz-resistentie hebben, kan de nieuwe supergevoelige test niet voorspellen of efavirenz aan zal slaan. Dat is jammer, maar in dit geval zal een nog gevoeligere test daar niets aan veranderen. Het wetenschappelijk adagium meten is weten, gaat helaas niet altijd op.