Onze geest houdt continu onze omgeving in de gaten, en vult met de informatie die onze ogen, oren, neus en vingertoppen aanleveren ons innerlijke beeld van de wereld aan. In zijn bijzondere nieuwste boek vertelt de schrijvende neuroloog Oliver Sacks hoe de waarneming verandert als een van die zintuigen onbetrouwbaar wordt.

Een concertpianiste die plotseling geen bladmuziek meer kan ontcijferen, een schrijver van detectives die zijn leesvermogen verliest en een neurobiologe die geen diepte kan zien: als een van de meest bekende neurologen ter wereld verzamelt Oliver Sacks patiënten met rariteiten van het zenuwstelsel. In zijn inmiddels elf boeken, waaronder The man that mistook his wife for a hat put hij uit zijn klinische ervaringen en interesseert een groot publiek voor het delicaat functioneren en complex ontregelen van de menselijke neurologie.

The Mind’s Eye is een nieuwe bundel van bizarre patiënten, die allemaal een van hun zintuigen kwijtraken en zich op hun eigen manier aan dat verlies aanpassen. Niets nieuws dus, zou je zeggen, ten opzichte van zijn eerdere boeken, en de eerste hoofdstukken lijken die stelling te steunen.

In het voorlaatste hoofdstuk verschuift het perspectief echter op een dramatische manier, en maakt The Mind’s Eye tot een bijzonder boek: Sacks beschrijft hoe hij zélf patiënt wordt als hij door een netvliestumor het gezichtsvermogen van zijn rechter oog verliest.

Rolverdeling

Ziekte is voor een dokter permanent dichtbij, maar lijkt de medicus zelf nooit direct te bedreigen. Zelf ziek zijn is voor een arts een onwerkelijke omkering van de rolverdeling, en Sacks vormt daarop geen uitzondering.

Wanneer een in potentie dodelijke ziekte de arts dan toch treft komt die klap extra hard aan: anders dan de leek heeft de dokter normaliter controle. Door die te verliezen raakt hij direct zijn meest fundamentele zekerheid kwijt.

Sacks beschreef in 1984 hoe hij door een ongeluk het gevoel in een van zijn benen verloor toen een onwelwillende stier hem toetakelde, maar de diagnose kanker is toch een ander verhaal. Als de klachten beginnen heeft hij nog het duale perspectief dat alterneert tussen dat van de patiënt met een symptoom tot dat van de geïnteresseerde clinicus, maar zodra de oogarts de mogelijkheid van een kwaadaardige ziekte noemt verdwijnt die academische interesse volledig.

Sputterende lichamen

Voor iemand die zelf een medische achtergrond heeft is Sacks’ dagboek over zijn oogziekte een pakkende reality-check: enerzijds herinnert het stevig aan de gevoelens en gedachten die andere kant van de spreekuurtafel door de hersenen gieren, en anderzijds wrijft het de eigen kwetsbaarheid er ferm in. Dat is best heftig, want hoewel dokters vaak afgestompt lijken door de ellende van sputterende lichamen om hen heen hebben juist zij vaak een diepe (en gezien hun bekendheid met het onderwerp misschien zelfs disproportionele) angst voor ziekte en de dood.

Hoewel The Mind’s Eye gaat over het verlies van zintuigelijke capaciteiten vertelt Sacks ook hoe de hersenen van zijn patiënten en hijzelf nieuwe strategieën ontwikkelen om met die tekortkomingen om te gaan, waarmee het toch ook een hoopvol boek is. Dat verlies niet altijd een puur ellendige zaak is beschrijft hij misschien wel het meest indringend als hij net door een laserbehandeling vrijwel geheel blind is geworden aan zijn rechteroog, maar waarmee de hinderlijke vertekeningen van het beeld wel definitief verdwijnen: “Oddly, this is a huge relief. I wish I had had it lasered months ago.”