motherchild

Met weinig flatteuze verhalen was de jeugdzorg de afgelopen tijd in het nieuws. Op 13 januari verscheen een rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarin werd geconcludeerd dat jeugdzorg zich te terughoudend opstelt, met alle gevolgen van dien. De week erna kwam als klap op de vuurpijl het bericht van een veertienjarig meisje dat hardhandig werd gearresteerd op het terrein van haar voormalig pleeggezin, nadat ze weggelopen was uit een jeugdzorginstelling. Het meisje is opgegroeid in een pleeggezin waar ze vorig jaar zomer vertrok in een poging bij haar biologische moeder te wonen. Helaas liep dat verkeerd, maar in plaats van een terugkeer naar het pleeggezin, zoals afgesproken was, koos de biologische moeder voor opname in een instelling. Jeugdzorg liet het gebeuren.

Dat is erg verstandig van jeugdzorg. Immers, iedere organisatie dient als eerste voor de eigen instandhouding te zorgen. Dat de jeugdzorg om dit te bereiken de juiste tactiek volgt, blijkt uit wetenschappelijke vindingen uit de jaren ’60 van de vorige eeuw. In een serie controversiële experimenten bekeken psychologen Harry Harlow en Stephen Suomi het belang van moederlijke zorg voor de mentale gezondheid van resusaapjes. De onderzoekers kregen met veel ethische bezwaren te maken: men reageerde fel op de behandeling die de aapjes in de experimenten ondergingen. Niettemin hebben de onderzoeken een rijkdom aan kennis opgeleverd, die nu een leidraad vormt voor het handelen in onze samenleving.

Leeftijdsgenoten
In één van de experimenten vergeleken Harlow en Suomi aapjes die opgroeiden met een moeder, met aapjes die te midden van een groep leeftijdsgenoten werden grootgebracht. De aapjes uit de laatste groep bleken angstiger, vaker verlegen en minder onderzoekend, en eindigden later onderaan in de sociale hiërarchie van hun groep. Ook zagen de onderzoekers dat de mannetjesaapjes die zonder moeder opgroeiden zich over het algemeen impulsiever en agressiever gedroegen dan de gezinsvariant.

Het belangrijkste resultaat in deze context werd echter gevonden bij de vrouwtjes. Als zij zonder moederlijke liefde opgroeiden en zelf kinderen kregen, verwaarloosden en mishandelden zij hun jongen in veel gevallen, en in alle gevallen was het gedrag jegens het jonge aapje duidelijk verstoord. Dit verstoorde gedrag bleef generatie op generatie zichtbaar.

Hechtingstheorie
Bij mensen wordt deze dynamiek beschreven in de zogenaamde ‘hechtingstheorie’, stammend uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. Deze theorie beschrijft hoe belangrijk de band tussen een continue verzorger en een jong kind is. We zijn dan geen resusaapjes, maar de observaties van Harlow en Suomi blijven toepasbaar: kinderen die slecht zijn gehecht zijn vaak banger, minder snel geneigd hun omgeving te verkennen, en hebben vaak een lager gevoel van eigenwaarde.

Hoewel de eerste jaren van een kind kritiek zijn voor de hechting, mag het belang van een stabiele omgeving in de puberjaren niet worden onderschat. Juist voor kinderen die op jonge leeftijd hechtingsproblemen hebben gehad is een verdere ontwrichting van de thuissituatie een uitnodiging voor depressie, leerproblemen, verslaving en zo nog een aantal factoren die het fundament onder een eigen gezin aanzienlijk kunnen aantasten. Maar ook voor de mentaal gezonde tiener is de overgang naar een inrichting een traumatische ervaring, die het vermogen om zich fatsoenlijk te kunnen blijven hechten flink op de proef stelt.

Jeugdzorg
Een kind dat door het wettelijk gezag wordt verbannen naar een inrichting heeft daar zelf weinig tegenin te brengen. Ook een pleegfamilie raakt haar spaarzame rechten kwijt zodra het kind met gevulde koffer het terrein heeft verlaten. In ons land heeft alleen jeugdzorg een uitgebreide gereedschapskist waarmee het in dit soort gevallen in kan grijpen, en verdere problemen kan voorkomen.

Maar jeugdzorg denkt natuurlijk verder dan alleen dit kind, en ziet ook het plaatje op de lange termijn. De kinderen van nu worden ooit ouders, en hechtingsproblematiek zet zich zo voort. Door kinderen als deze vast te houden in leefgroepen met leiding, in plaats van een gezinssituatie, waarborgt jeugdzorg haar eigen toekomst. In een tijd waarin vele banen op de tocht staan is deze aanpak lovenswaardig.

En toch…
Alle werkverschaffing ten spijt, voor mij is het schrijnend om te zien hoe er met mijn pleegzusje wordt omgegaan. Inrichtingen en tehuizen zijn een noodoplossing, en vormen een broedkamer voor de volgende generatie jeugdzorgklanten. Een kind hoort in een gezin, en dat van haar wacht met smart op haar thuiskomst.

 

Foto: ‘Mother and Child’, door subactive_photo op Flickr, met Creative Commons licentie (BY-NC 2.0).