IJsberen dreigen door het smelten van de noordpool letterlijk kopje onder te gaan aan de klimaatveranderingen, en in wat een wanhoopsdaad lijkt paren de beren soms met bruinere exemplaren, tot ergernis van conservatiebiologen. Is hun angst voor hybride beren terecht?

Bonte beren op het ijs: drie biologen uit Alaska moeten er niet aan denken, en maken hun zorgen kenbaar in een commentaar bij hun in Nature gepubliceerde studie naar de mogelijkheid om door beperking van de kooldioxide-uitstoot de leefomgeving van de ijsbeer te redden. Als hun pleidooi voor het behoud van rassenpuurheid H. sapiens had betroffen waren ze zeker van vreemde sympathieën beticht, maar ook nu rijst de vraag of het terecht is om de vermenging van noordelijke berensoorten als iets slechts af te schilderen.

Hybridisatie onder poolberen is een gedocumenteerd gegeven. In 2006 werd een bruingevlekte poolbeer geschoten, en bleek uit DNA onderzoek dat het een mix was van een ijsbeer en een grizzly (die ik voor het gemak even een Grijsbeer noem). Dit jaar volgde een tweede, en ook van 34 andere poolzoogdieren zoals zeehonden zijn incidentele mulatten bekend.

Met het wegsmelten van enorme oppervlakten zee-ijs verdwijnen de natuurlijke barrières die de laatste millennia de vermenging van verwante maar verschillende soorten in het poolgebied grotendeels voorkwamen. Het voorbeeld van de Grijsbeer toont dat de poolbewoners niet altijd puriteins met soortgenoten Darwin’s koffer induiken, maar dat ze soms best voor een evolutionair avontuurtje te porren zijn.

Best of both of bad mix?
De conservatiebiologen dragen diverse argumenten aan waarom soortenkruising een afkeurenswaardig is: net als muilezels zijn hybriden vaak steriel of verminderd fertiel, kan vermenging in korte tijd leiden tot het verdwijnen van soorten en van genetische variatie binnen de soort, en kan soortenkruising leiden tot verstoorde relaties binnen het ecosysteem, en veranderde sociale intereacties met soortgenoten. Ze noemen het verschijnsel dat de eerste generatie hybriden nog een selectief voordeel kan hebben (hybrid vigour), maar dat daarna vaak een reductie van fitness optreedt (outbreeding depression).

Afschieten dus die polaire halfbloedjes, is in bedekte termen het advies van de biologen. Ze verwijzen naar het recente beleid in de VS om mengbastaarden van rode wolven en coyotes actief uit de populatie te verwijderen om zo de afzonderlijke soorten te behouden.

Of hybridisatie ook positieve effecten kan hebben bespreken de auteurs helaas nauwelijks, want hoewel ze toegeven dat soortenkruising een belangrijke bron van evolutionaire innovatie is geweest proberen ze de discussie in de kiem te smoren met het voorbeeld van de funeste introductie van wilde eenden in Nieuw Zeeland. Die eenden toonden meer dan alleen kuise interesse in de lokale grijze eenden, en zo’n anderhalve eeuw later zijn die grijze drijfsijsjes volledig verdwenen.

Ecologie van de buitencategorie
De Nieuw Zeelandse fladderaars lijken echter geen optimaal voorbeeld, want anders dan de ijsberen en Grizzly’s ging het daar om twee soorten die nooit eerder in contact waren geweest. Verder is de ecologie van Nieuw Zeeland eigenlijk van de buitencategorie, want de schaal van de veranderingen die daar door de meertraps menselijke kolonisatie zijn opgetreden is uniek. Tot de Maori daar zo’n 1000-1500 jaar geleden aankwamen waren de eilanden vrij van alle zoogdieren behalve vleermuizen, om maar een van de bizarre verschillen met de rest van de landmassa’s van enig formaat te noemen.

Misschien is hybridisatie voor de beren van het poolgebied juist wel een goede evolutionaire gok, zeker gezien het niet onwaarschijnlijke scenario dat de mens er niet in slaagt zijn uitstoot van broeikasgassen voldoende terug te brengen. Zolang wij nog niet allemaal in energiezuinigere hybriden rondrijden is de toekomst voor lapjesberen misschien wel beter dan die van hun witpuristische semi-soortgenoten. En anders sterven ze snel genoeg uit.