Voor de derde keer in een maand gingen studenten en scholieren deze week de straat op om te demonstreren tegen de bezuinigingsplannen voor het hoger onderwijs in Engeland. De protesten richten zich voornamelijk tegen de verdrievoudiging van de collegegelden – van ruim 3.000 naar 9.000 pond. Deze verhoging werd door vicepremier Clegg gepresenteerd als voorwaarde voor gelijke toegang voor arm en rijk. Met die gelijke toegang is het momenteel slecht gesteld.

Weliswaar nam onder de Labour-regering het aantal studenten gigantisch toe, maar in Engeland is niet de vraag óf, maar wáár je gestudeerd hebt belangrijk. Sommige Engelse universiteiten verbleken in vergelijking met de gemiddelde Nederlandse hogeschool, terwijl een klein aantal instellingen onze Nederlandse universiteiten vér achter zich laat. Die laatste groep selecteert streng aan de poort: op academische kwaliteit, natuurlijk, maar die selectie onderstreept de grote klasse-verschillen in het Verenigd Koninkrijk. Zo bezocht ruim 60% van de studenten aan Oxford en Cambridge privé-scholen, terwijl slechts 7% van alle kinderen in Engeland dergelijke dure scholen bezoekt. Een klein deel van de hogere collegegelden zal worden aangewend om armere studenten te ondersteunen, maar of dit werkelijk de fundamentele ongelijkheid op gaat heffen valt te betwijfelen.

Privatisering
De nadruk op het collegegeld verhult echter het zicht op een andere, fundamentele wijziging van het systeem: de vrijwel volledige privatisering van het hoger onderwijs. Universiteiten krijgen, als het aan de Britse regering ligt, voortaan geen geld meer voor onderwijs (behalve voor een klein aantal dure en ‘essentiële’ studies zoals geneeskunde). Onderwijs moet zichzelf voortaan bedruipen via de collegegelden. Bovendien wordt de ‘overbodige regelzucht’ van de Labour-regering afgeschaft: kwaliteit kan immers worden overgelaten aan de markt. De student – als calculerende consument – zal vanzelf kiezen voor ‘best value-for-money’, zo stelt het rapport van adviseur Browne dat ten grondslag ligt aan de huidige wetsvoorstellen. En die waarde wordt voornamelijk gemeten op basis van het arbeidsperspectief die de opleiding biedt.

Winstgevende universiteit
Om te kijken wat dat voor gevolgen kan hebben hoeven we niet ver te zoeken. Dit voorjaar sloot Middlesex University haar vlaggenschip: de vakgroep filosofie. Deze was kort daarvoor beoordeeld als haar enige onderzoeksgroep van hoogwaardige kwaliteit. Toch besloot de universiteit de vakgroep op te heffen. Filosofie was weliswaar “winstgevend”, maar minder winstgevend per student dan meer toegepaste disciplines. In de storm van protesten die volgde maakte de universiteit er geen geheim van dat het een puur economische beslissing was. De universiteit moest de kans grijpen om meer inkomen te genereren in deze tijden van teruglopende studentenaantallen, aldus de decaan van de letterenfaculteit. De universiteit koos onomwonden voor winstgroei boven behoud van academische kwaliteit. De huidige privatiseringsplannen zullen andere universiteiten tot vergelijkbare keuzes dwingen.

Onderwijskwaliteit
Voorheen waren kwaliteit van onderwijs en onderzoek de hoofddoelstellingen van universiteiten. Géén verlies maken was een randvoorwaarde. Marktwerking maakt echter winstgevendheid en concurrentie tot de centrale doelstellingen. Die doelstellingen zijn niet noodzakelijkerwijs tegenstrijdig aan verbetering van kwaliteit; ze zijn daar echter ook geen garantie voor, zoals het voorbeeld van Middlesex illustreert. Integendeel, terwijl ‘baanzekerheid’ als functioneel einddoel van een studie in eerste instantie slechts nadelig lijkt voor ‘softe’ vakken als kunstgeschiedenis of antropologie, zijn de gevolgen zeker zo groot voor de ‘harde’ wetenschappen. Onder druk de arbeidsmarktperspectieven voor hun studenten te verbeteren zal de gemiddelde universiteit steeds meer nadruk leggen op praktische vaardigheden en stages, ten koste van fundamentele wetenschappelijke kennisvergaring. Alleen aan streng selecterende elite-universiteiten zal het wetenschappelijke niveau van het onderwijs op peil blijven. Wie niet rijk of hyperintelligent is moet genoegen nemen met een veredelde beroepsopleiding met een stevig prijskaartje.

Selectie aan de poort
Thatchers privatiseringsgolf uit de jaren 80 kreeg een klein decennium later navolging op het Europese vasteland. De globalisering ‘dwong’ ons daartoe. We fronsen nu wellicht onze wenkbrauwen bij dit soort radicale plannen, maar het is niet onwaarschijnlijk dat we over 10 jaar worden geconfronteerd met de vermeende acute noodzaak om het ‘onbetaalbare’ publieke systeem fundamenteel op de schop te nemen.

Om dit te voorkomen moeten we nu een fundamentele discussie aangaan over waar we heen willen met ons hoger onderwijs. Daarbij kunnen we selectie aan de poort en numerus fixus voor een breed scala aan studierichtingen niet uitsluiten. Dit lijkt wellicht een ondermijning van het egalitaire Nederlandse onderwijsmodel. Echter, een gediversifieerd publiek hoger onderwijssysteem met selectie op competenties en inzet is de beste verdediging tegen een privaat systeem waarin selectie voornamelijk plaats vindt op basis van inkomen. Willen we toe naar dit neo-liberale systeem, dan hoeven we niets te doen: het komt vanzelf de Noordzee overgewaaid. Willen we daarentegen een hoogwaardige kenniseconomie blijven met gelijke kansen voor rijk en arm, dan moeten we ons huidige systeem van toegang heroverwegen. We hoeven het Angelsaksische systeem niet onnadenkend te volgen. We zijn groot genoeg om onze eigen keuzes te maken.

Raymond van de Wiel is promovendus in de filosofie aan Birkbeck College, University of London. Fedde Groot is een van de vaste redacteurs van sciencepalooza. Dit stuk verscheen ook op de opiniepagina van de Volkskrantsite.