Je gaat naar de huisarts. Rugklachten. Binnengekomen in de behandelkamer onderzoekt de arts je en schrijft een nieuw medicijn voor. Hij heeft het medicijn zelf ontwikkeld en door middel van een aantal interviews met gebruikers en andere artsen vastgesteld dat het werkt. Zou je dit medicijn met veel vertrouwen innemen?

Het is te hopen van niet. Er zijn door de wetenschap methodes ontwikkeld om ervoor te zorgen dat we zo objectief mogelijk kunnen onderzoeken of medicijnen werken. Dat gebeurt in dubbelblinde, gecontroleerde klinische trials. Evidence-Based Medicine noemen we dat.

Het scenario uit de eerste alinea is achterhaald voor medicijnen, maar het is precies hoe onderwijs ontwikkeld wordt en vervolgens de klas ingaat. De enige maat lijkt vaak: willen docenten het lesmateriaal gebruiken en halen we de eisen die het curriculum stelt?  Leren is meer dan dat: bestaan er alternatieve vormen van leren die (beter) werken en kunnen leerlingen het geleerde ook buiten school inzetten? Dat zijn belangrijke vragen die bijna geen rol spelen bij onderwijsontwikkeling.

En dat terwijl er voldoende wetenschappelijk onderzoek aan leren wordt gedaan. Bijvoorbeeld in het vakgebied dat Technology Enhanced Learning heet. De onderwijskundigen in dit veld willen weten of ondersteuning door nieuwe technologieën tot betere leerresultaten leidt, denk aan hogere cijfers, beter begrip of het langer onthouden van kennis.

De onderwijskundigen Vanessa Peters en Jim Slotta deden de afgelopen jaren onderzoek waaruit blijkt dat leerlingen betere resultaten kunnen halen wanneer bekende Web 2.0 principes worden ingezet. In dit geval the wisdom of crowds, de kennis van velen.

Je ziet op internet talrijke gemeenschappen waar mensen samenwerken om kennis op te bouwen en te gebruiken. Bij Wikipedia stelt een grote groep mensen gezamenlijk een gigantische, accurate encyclopedie samen. Ook boeken die je worden aangeraden op bol.com zijn een resultaat van geaggregeerde kennis, namelijk wat iedereen koopt en de koppeling van die informatie. Leerlingen kennen zulke gemeenschappen of zijn er deel van. Kunnen ze nut hebben in onderwijs?

Peters en Slotta laten zien dat wanneer 104 leerlingen samenwerken in een kennisgemeenschap, betere eindexamenresultaten behaald worden. In twee lessenseries, respectievelijk over menselijke ziektes en Canadese biodiversiteit, werken leerlingen in groepjes gezamenlijk aan het bouwen van een wiki. In deze wiki plaatsen en bewerken leerlingen zelf opgezochte informatie in verschillende pagina’s, bijvoorbeeld astma of de Atlantische Oceaan, en verschillende groepjes werken aan dezelfde pagina’s. Ze creëren dus als een groep de leerstof en omdat ze de druk van gezamenlijke verantwoordelijkheid voelen, doen ze flink hun best. Hierbij worden ze begeleid door docenten en technologie (bv. door makkelijk nieuwe pagina’s te kunnen maken en simpele, goedwerkende invulformulieren aan te bieden). Nadat de wiki-pagina’s zijn opgeleverd moeten de leerlingen een opdracht uitvoeren, gebruikmakend van de informatie geschreven door hun schoolgenoten.

De ervaringen van leerlingen en docenten waren overwegend positief, maar dat is niet alles. In beide gevallen deden de leerlingen het significant beter op de onderwerpen van de lessen op hun eindexamen dan leerlingen van dezelfde docenten in voorgaande jaren. Op andere onderwerpen scoorden deze leerlingen gelijk aan voorgaande jaren. Dat is een bijzonder resultaat. Peters en Slotta stellen empirisch vast dat je door middel van een kennisgemeenschap leerlingen beter kan laten leren. Het wachten is nu op de resultaten van volgend jaar, als de lessen zonder de onderzoekers erbij worden uitgevoerd. Bij gelijke resultaten kunnen we werkelijk spreken over Evidence-Based Education.

Dit stuk verscheen ook in de Groene Amsterdammer, nummer 40 / 6 Oktober 2010