Afgelopen week verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Nature en het populair wetenschappelijke Scientific American een wereldwijde peiling naar het vertrouwen van het publiek in de wetenschap en wetenschappers. Wetenschappers bleken zichzelf in die peiling het meest te vertrouwen, maar denkt u daar ook zo over?

Slechte afspiegeling van vertrouwen

Wetenschappers verbonden aan een universiteit worden door de respondenten als zeer betrouwbaar gezien, in tegenstelling tot politici, religieuze leiders, bedrijven en NGO’s, waaraan volgens de gepeilden over het algemeen een luchtje zit. Zelfs vrienden en familie worden lager ingeschat dan wetenschappers wanneer het gaat om informatieverstrekking rond maatschappelijk belangrijke onderwerpen. Het onderzoek werd door beide bladen groots gebracht, maar bleek uiteindelijk van zeer beperkte waarde. De peiling werd namelijk uitgevoerd onder de bezoekers van de websites van beide bladen. Het overgrote deel van de respondenten bestond daardoor uit wetenschappers en bovengemiddeld hoogopgeleide wetenschappelijk geïnteresseerden.

Vanwege het type respondenten is het niet toevallig dat wetenschappers als meest betrouwbaar uit de bus komen. Dat is direct dé gemiste kans van de peiling, want het is juist belangrijk om eens uit te vissen wat het publiek vindt van wetenschap en haar wetenschappers. Afgaande op de ongenuanceerde reacties die onderwerpen als vaccins, autisme of klimaatverandering oproepen bij sommige lezers van sciencepalooza, hier in de Volkskrant of op de eigen site, lijkt het vertrouwen in wetenschap alleen maar af te nemen.

Opgeklopt

Ik kan me er ook wel iets bij voorstellen. Voorvallen zoals de oproer rond de gestolen ‘klimaat e-mails’, de vermeende partijdigheid van Ab Osterhaus tijdens de griepepidemie en het zogenaamde opkloppen van die epidemie door de WHO om de kas van de grote farmaceuten te spekken waren niet uit het nieuws weg te slaan. Dat zijn geen mooie plaatjes en ook al zijn ze stuk voor stuk op verdachtmakingen en niet op harde feiten gebaseerd, toch blijven ze wel hangen.

Natuurlijk is het nuttig om te allen tijde sceptisch te zijn, maar je moet je niet tegelijkertijd ontdoen van de feiten. Wanneer de PVV verkondigt dat klimaatverandering niet bestaat dan mag dat sceptisch heten, maar als daar geen op wetenschappelijke feiten berustende argumentatie achter zit blijft het een mening. Andere politici maar ook wetenschappers moeten dan van de daken schreeuwen dat dit te ver gaat en iedereen wijzen op de wetenschappelijke stand van zaken. Aan de andere kant van het spectrum moet precies hetzelfde gebeuren wanneer GroenLinks al de genetisch gemodificeerde gewassen in een keer van tafel veegt zonder ook maar een blik op de wetenschappelijke feiten te werpen. Scepticisme kan tot waarheidsvinding leiden, maar mag nooit doorslaan in een extreme vorm van postmodern relativisme waar de feiten worden gebagatelliseerd.

Domheid als doel

De New York Times plaatste eind augustus een mooi opinie stuk met de titel “Building a Nation of Know-Nothings”. Daarin werd uiteen gezet hoe in de Verenigde Staten klinkklare leugens en desinformatie de wereld in wordt geholpen om over een breed scala aan onderwerpen, van Barack Obama tot aan evolutie en klimaatverandering, twijfel te zaaien. Deze misleiding heeft tot gevolg dat feiten steeds vaker door het publiek niet als zodanig worden herkend. Hierdoor ontstaat een groot probleem: waar haal je onafhankelijke informatie vandaan als zelfs de wetenschap en haar wetenschappers niet meer worden vertrouwd?

In navolging van de Nature-peiling ben ik benieuwd wie u het meest betrouwbaar vindt en wie u volgt als u een mening moet vormen. Baseert u die mening op de saaie wetenschappelijk feiten van de academische wetenschapper, op de ronkende retoriek van de politicus of op het prachtig gelikte verkooppraatje van de ‘captain of industry’?

Dit stuk verscheen ook op de opiniepagina van de Volkskrantsite