Hoeveel procent van zijn/haar tijd moet een wetenschapper aan wetenschapscommunicatie besteden? Dat is een lastige vraag. Immers, tijd die wordt besteed aan het uitleggen van wetenschappelijke vindingen en het in perspectief plaatsen ervan, kan niet besteed worden aan het doen van deze wetenschappelijke ontdekkingen. Toch, als ik lees dat global warming in de programma’s van de grootste politieke partijen in Nederland een hype wordt genoemd; als ik lees over het leed van mensen die in zee gaan met malafide stamcelklinieken, dan denk ik dat een betere communicatie tussen wetenschap en maatschappij hard nodig is.

Een halve dag per week

Het was het onderwerp van een recente discussie op de website van het vakblad Science. Op de vraag “Hoeveel tijd moet de volgende generatie wetenschappers besteden aan andere zaken dan onderzoek?”, antwoordde meer dan tweederde van de respondenten dat daar minimaal tien procent van de beschikbare tijd voor uitgetrokken zou moeten worden. Minstens een halve dag per week, dat is best veel. Helemaal als je bedenkt dat deze tijd niet direct bijdraagt aan persoonlijk wetenschappelijk succes. Toch verbaast het me niet, want ik zie dagelijks nieuwsberichten die smeken om een betere communicatie tussen wetenschap en maatschappij.  Ik noem twee voorbeelden.

Den Haag vandaag

Nu de formatie van een rechts minderheidskabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV serieuze vorm begint aan te nemen, maak ik me steeds grotere zorgen over de Nederlandse houding aangaande klimaatsverandering. Het milieu wordt weggezet als een linkse hobby en global warming wordt een hype genoemd waar we ons niet in moeten verliezen. Pardon!? Ik dacht dat het na het klimaatrapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het onderzoek van het Nederlands Planbureau voor de leefomgeving (PBL) voor iedereen duidelijk was dat de aarde opwarmt door menselijk handelen. Maar terwijl de milieubeweging in toenemende mate depolitiseert, wordt het milieu in Den Haag links in de hoek gezet.

Stamcel-ongevallen

Stamcellen worden sinds hun ontdekking bejubeld als de oplossing voor alle medische problemen. Er worden echter nog maar een handjevol stamcelbehandelingen toegepast in reguliere ziekenhuizen. En dat is niet voor niets. Het testen van behandelmethodes en het in kaart brengen van hun eventuele bijwerkingen is nog maar net op gang gekomen. Echter, dat weerhoudt meer dan tweehonderd klinieken wereldwijd er niet van om allerlei ongeteste stamceltherapieën aan te bieden. Met soms dramatische gevolgen. Neem het verhaal van de Israëlische jongen die zich in een kliniek in Moskou met stamcellen liet behandelen voor ataxia telangiectasia, een tot dusverre niet te behandelen ziekte die zenuwcellen aantast. Hij ontwikkelde tumoren in hersenen en ruggenmerg die bewezen afkomstig waren van de geïnjecteerde stamcellen. De gebruikte methode zou nooit zijn toegestaan in Europa, de Verenigde Staten, of elk willekeurig ander land met een goed functionerende medische regelgeving. Al was het maar omdat een cocktail werd geïnjecteerd; een onvolledig gekarakteriseerde mix van cellen. En zo zijn er meer voorbeelden. In een zee van opportunistische aanbieders kiezen kwetsbare mensen de verkeerde kliniek.

Macht aan de mensen

In bovenstaande voorbeelden worden mensen verkeerd geïnformeerd. Namelijk kiezers door politieke partijen, en patiënten door malafide klinieken. Dat is pijnlijk, want mensen vertrouwen hun politieke leiders graag en wanneer de nood aan de man is geven ze zich maar al te graag over aan mooie beloften. Maar kennelijk liggen partijpolitiek en zelfverrijking overal op de loer. Het is dus belangrijk dat mensen zichzelf kunnen informeren. En dat ze dat ook doen. Daarvoor is het noodzakelijk dat wetenschappelijke informatie overvloedig en in een toegankelijk formaat beschikbaar is. Wetenschappers zelf zijn bij uitstek geschikt om ze van deze informatie te voorzien. Immers, een goede wetenschapper is primair geïnteresseerd in de waarheid en elk ander belang zou het daartegen af moeten leggen. En om deze reden schrijf ik. Want ik ben wetenschapper.

Dit stuk verscheen ook in de Groene Amsterdammer, nummer 34 / 25 Augustus 2010