Dierproeven worden onder meer gebruikt om het gezondheidsrisico van stoffen in kaart te brengen. Voor het bepalen van de potentie van stoffen om oogirritatie te veroorzaken is door TNO een alternatief voor de welbekende konijnentest ontwikkeld. Helaas heeft het bijna twintig jaar geduurd voordat deze test door de regelgevende instanties als officieel alternatief is geaccepteerd. Een betere samenwerking tussen wetenschappers en regelgevers zou een goede zaak zijn voor de ontwikkeling en acceptatie van alternatieve, dierproefvrije toxiciteittesten.

Oogirritatietest

Om het gezondheidsrisico van nieuwe stoffen die op de markt komen te bepalen worden vaak dierproeven gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de draize-oogirritatietest die wordt gebruikt om te voorspellen welke stoffen de potentie hebben om oogirritatie te veroorzaken. Hiervoor worden stoffen in het oogzakje van een konijn gedruppeld om na een bepaalde tijd de eventuele schade van het oog te beoordeelden. Deze test kan uitermate pijnlijk zijn voor het konijn. De Draize-oogirritatietest ligt al jaren onder vuur, vooral omdat de resultaten van de test nogal variabel zijn, zeker voor vaste en pasta-achtige stoffen.

Goed nieuws

Nu is er wat betreft de oogirritatietest goed nieuws te melden; er bestaan een aantal alternatieve testen die beter kunnen voorspellen of een stof irriterend is zonder dat hiervoor levende dieren hoeven te worden gebruikt. Sterker nog, één van deze testen, de geïsoleerde kippenogentest, is recent geaccepteerd door de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en in de richtlijnen voor het testen van stoffen die oogirritatie veroorzaken, opgenomen als alternatief voor de Draize-test. De kippenogentest gebruikt kippenogen vers uit het slachthuis die reageren op de te testen stoffen als een levend oog. Doordat niet met levende dieren wordt gewerkt kan de blootstelling van stoffen veel beter worden gecontroleerd. Dit betekent dat het risico van stoffen op oogschade goed beter? in kaart kan worden gebracht. De test is mede door TNO-er Menk Prinsen ontwikkeld die daar kortgeleden ook de “Hugo van Poelgeestprijs” voor heeft gekregen. Tot zover het goede nieuws.

Slecht nieuws

Ik was nogal verbaasd toen ik hoorde dat de uiteindelijke beslissing om de test in de officiële richtlijnen op te nemen als valide alternatief voor de Draize-test bijna 20 jaar op zich heeft laten wachten. En dan nog mag de kippenogentest alleen worden gebruikt voor ernstig irriterende stoffen; zwak irriterende stoffen moeten nog steeds met behulp van de Draize-test worden beoordeeld. Waarom deze afwachtende houding bij het invoeren van een prima alternatief? Om onduidelijke redenen wordt door de regelgevende instanties de Draize-oogirritatie test als gouden standaard gehanteerd en wordt van alternatieve testen verwacht dat de resultaten vergelijkbaar zijn met de (variabele) uitkomsten van die test.

Noodzaak voor dierproefvrije toxiciteittesten

Momenteel wordt er door wetenschappers over de hele wereld op allerlei gebieden gewerkt aan de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven. Behalve het verminderen van het proefdier gebruik, is een belangrijke drijfveer voor wetenschappers dat dierproeven niet altijd een goede voorspelling geven over de toxiciteit van stoffen. Van een bepaalde groep stoffen geldt bijvoorbeeld dat ze in ratten gemakkelijk tumoren veroorzaken terwijl het bekend is dat dezelfde stoffen in mensen geen kanker veroorzaken. Testen met menselijke cellen zouden in een dergelijk geval mogelijk een hogere voorspellende waarde hebben.

Hoe nu verder?

Hoe nu kunnen we voorkomen dat er weer een lange tijd overheen gaat voordat een alternatief voor een dierproef wordt geaccepteerd als richtlijn? Allereerst zullen regelgevers in vergelijkbare gevallen eerder moeten erkennen dat alternatieven prima voldoen en niet te veel vasthouden aan de gouden standaard die vaak niet optimaal is. Het is te gemakkelijk om af te geven op enkel de conservatieve regelgevende instanties maar het zou geen kwaad kunnen als er bij deze instanties een verjongingsslag zou plaatsvinden. Nog beter zou het zijn om de regelgevers bij de verschillende fasen in de ontwikkeling van een dierproefvrije toxiciteittest te betrekken. Regelgevers kunnen dan in een vroeg stadium aangeven welke knelpunten later te verwachten zijn. Ze kunnen ook de beperking van een test aangeven; bijvoorbeeld dat een alternatief misschien niet zo breed kan worden ingezet als in eerste instantie werd gedacht. Organisaties die wetenschappers van geld voorzien zouden dit op hun beurt kunnen stimuleren door betrokkenheid van de instanties bij de uitvoering van een project als voorwaarde te stellen.

Goede wil van regelgevende instanties, in combinatie met een betere samenwerking tussen wetenschappers en regelgevers maar misschien ook industrie en dierenbelangenorganisaties zou een sterke impuls kunnen geven aan de ontwikkeling en acceptatie van alternatieve, dierproefvrije toxiciteittesten. Dit zal uiteindelijk leiden tot een sterke vermindering van dierproeven en verbetering van de voorspelling van de toxiciteit van stoffen.