economie redt natuurVorige week kwam het VN-rapport over biodiversiteit uit. Een somber bericht: de natuur gaat eraan. Is dat erg? Ja, vinden de meeste mensen. Maar hoe erg het precies is, en hoe je dat berekent, is ingewikkeld.

Om te beginnen: het is niet zielig voor een soort zelf. De eenzame ijsbeer uit het WNF-spotje die levensmoe naar de volgende ijsschots wankelt is niet zielig omdat hij uitsterft- het leven van een ijsbeer was toch al niet zo’n pretje, zoals Bas Haring betoogt in zijn boek ‘Het aquarium van Marcel Huijsmans’ (2009). Maar voor wie zijn de bevindingen uit het rapport dan zorgelijk? Het antwoord is: voor de mens. Biodiversiteit, de veelheid aan soorten in de natuur, is niet alleen leuk, maar levert ons ook veel op: eten, medicijnen, bouwmaterialen. Daarnaast zijn ook minder goed verkoopbare functies van ecosystemen. Een mangrovebos houdt de zee buiten, de duinen zuiveren drinkwater en de Amazone slaat CO2 op.

Prijskaartje

Wat gebeurt er als we aan zulke ‘ecosystem services’, die nu gratis zijn, een prijskaartje hangen? Esther Turnhout, universitair hoofddocent aan de Universiteit Wageningen, vindt dat het ons van de natuur vervreemdt. Tijdens een lezing woensdagavond in SPUI25 gaf ze een voorbeeld van dicht bij huis: de ecologische akkerrand. Naast mooie bloemetjes levert de akkerrand bijvoorbeeld lieveheersbeestjes, de natuurlijke vijanden van bladluizen. Zo worden op een natuurlijke wijze de gewassen beschermd. Maar een boer verdient meer als hij de akkerrand met maïs volplant en dat met pesticiden beschermt. Om de boer te bewegen tot natuurlijke gewasbescherming is er een subsidie uitgeloofd. De EU hanteert daarvoor een checklist met bepaalde bloemen en planten. Gelukkig voor de boer verkoopt het tuincentrum zakken “akkerrandenmengsel”; instant biodiversiteit. Of deze aanpak rendabel is en zijn doel dient, het behuizen van de natuurlijke vijanden, is de vraag- maar volgens de checklist is het biodivers.

Vermarkten

De akkerrandsubsidie is een voorbeeld van hoe het kwantificeren van het ‘nut’ van biodiversiteit het doel voorbijschiet. Toch is het vermarkten van biodiversiteit hard nodig. Wie heeft er belang bij een specifiek ecosysteem, en wat is hen dat waard? Omdat die waarde-inschatting zo moeilijk is, wordt de waarde vaak onderschat en een service als gratis gezien- denk aan het drinkwater dat door de duinen wordt gefilterd. Als duidelijk is hoeveel water een duin zuivert en wat het per maand zou kosten om dat zelf te doen, is het makkelijker in te schatten of een ingreep om de duinen te behouden het geld waard is. Alleen door een precieze waardebepaling kunnen afwegingen over behoud zorgvuldig gemaakt worden: wat is de impact, wat zijn de risico’s, en wat mag het kosten. Zo kan een economische blik de natuur beschermen.

Scanapparaatje

Omgekeerd valt er ook veel te verdienen aan biodiversiteit. Het planten van 12000 hectare mangrovebos in Vietnam kostte een miljoen dollar, maar spaart nu zeven miljoen per jaar aan dijkonderhoud. En als we 40 miljard in de biodiversiteit in zeeën investeren, levert dat 4 triljoen op aan vis, toerisme, en minder overstromingen (zie TEEB-rapport).

Esther Turnhout ziet zelfs nog een manier om geld te verdienen aan de biodiversiteit: de verkoop van een genetische barcode-scanner, waarmee je meteen kunt zien wat je geplukt hebt en hoeveel het waard is. En of het de laatste in z’n soort was, natuurlijk.

Dit stuk verscheen ook op de opiniepagina van de Volkskrantsite.