Deze blog is long overdue want we zitten met de Mexicaanse griep inmiddels op de eerste golf. Het is niemand ontgaan dat van de week de eerste vaccins tegen de Mexicaanse griep in de bovenarm van Nederlanders zijn terecht gekomen. Eigenlijk had dat eerder moeten plaatsvinden ware het niet dat er vertraging was opgetreden. Waarom?? De reden daarvoor was een publicatie uit 1975.

Maar eerst even in het kort hoe elk jaar de ‘gewone’ griepspuiten gemaakt worden. Gedurende het hele jaar worden over de hele wereld griepvirussen uit het veld geïsoleerd en gekarakteriseerd. De virussen die niet goed reageren op vaccins van vorige jaren worden nauwlettend in de gaten gehouden en komen in aanmerking om in de volgende versie van seizoenspuit opgenomen te worden. Er zijn een paar laboratoria in de wereld die van deze “veldstammen” vaccinstammen (kunnen) maken. Nagenoeg alle vaccins worden geproduceerd in eieren en veldstammen groeien lastig in eieren. De supervisie en coördinatie ligt bij een aantal (supra-)nationale organisaties. In Europa is dat de NIBSC, Australië de TGA en in Amerika de FDA. Zij adviseren, samen met de academie, uiteindelijk de WHO welke virussen te gebruiken in het vaccin. De WHO vaardigt dan een advies uit en dat wordt door de EU, VS, etc overgenomen.

In elk vaccin moet een bepaalde hoeveelheid werkzame stof zitten. Die werkzame stof is hemagglutinine (HA). HA is een eiwit dat aan de buitenkant van een griep virus zit en is als beste instaat om een immuun reactie op te wekken en bescherming te bieden. Per vaccinstam moet er minimaal 15 microgram in het vaccin zitten en voordat je dat mag spuiten moet je die hoeveelheid uiteraard controleren met een test. Die test is de SRD test, is in 1975 opgeschreven door een stel Engelsen  en de reden dat alle vaccins tegen H1N1 vertraagd waren.

Zonder de details van de test te bespreken (check de gratis paper): het maken van de ingrediënten voor die test is het probleem. Je moet je onbekende monster (het vaccin) kwantificeren aan de hand van een monster van bekende hoeveelheid (antigeen standaard). Om de antigeen standaard te maken moet je eerst virus kweken, doden en het eiwit zuiveren in GROTE hoeveelheden. Tijd: ongeveer 2 weken. Verder heb je antiserum (antilichamen) nodig en die maak je door dat gezuiverde antigeen bij schapen in te brengen. Zij maken dan specifieke antilichamen d.m.v. hun immuunsysteem. Tijd: 6 weken.

Dit jaar zijn er bliksemsnel vaccinstammen gemaakt tegen de Mexicaanse Griep maar toen bleek dat de eerste H1N1 vaccinstam niet goed te groeien is op eieren. Een nieuwe vaccin stam moest worden gemaakt en gedistribueerd. Wat daarna dan ook nog moet gebeuren is dat er opnieuw antigeen en antiserum gemaakt moet worden. Ergo: maanden vertraging en Klink moet naar de Kamer.

Laat er nu een nieuwe moderne HPLC techniek zijn waarmee je HA ook kan kwantificeren. Deze techniek is sneller, nauwkeuriger en! je hebt alleen antigeen nodig om het HA eiwit karakteriseren. Maar deze techniek wordt (nog) niet toegelaten omdat de WHO daar nog niet officieel toestemming voor heeft gegeven door de richtlijnen aan te passen. Waarom? Omdat zij o.a. geadviseerd worden door de NIBSC. En wie zitten er bij de NIBSC? De Engelse auteurs van dat testje van 35 jaar oud. Dus vernieuwing gaat l-a-n-g-z-a-a-m.

Tandenknarsend zaten vaccin producenten op reagentia te wachten van deze archaïsche test. De hoop is er dat deze, vooralsnog milde, H1N1 pandemie voor genoeg opschudding zorgt dat moderne middelen toegelaten worden door de overheden. Want wie wil er wachten op schapen als er een dodelijkere influenza variant rond gaat?