God is een waanbeeld, een illusie ontsproten aan ons brein. Hoe en waarom de mens god heeft bedacht is een populair onderwerp onder hersenonderzoekers en evolutionair biologen. De grote vraag is of religie een evolutionair voordeel heeft opgeleverd voor de mens of dat de geboorte van religie een ongelukje was zonder direct voordeel. Evolutionair voordeel van voorbije tijden of kortsluiting in de hersenpan; is er nog wel  ruimte voor een ouderwetse omnipotente heerser in onze maatschappij?

Ongelukje of voordelig?

Er zijn op dit moment twee heersende theorieën die het ontstaan van religie proberen te verklaren. De eerste gaat ervan uit dat het de mens, ten minste tijdelijk, een evolutionair voordeel heeft opgeleverd. Dit voordeel kan worden gevonden in dat god(en) en religie als sociale lijm hebben gediend. De vroegste mens zou, net als chimpansees, in groepen hebben geleefd van zo’n 50 individuen. In de loop der tijd nam de grootte daarvan toe en leefden onze ‘jager-verzamelaar’ voorouders in groepen van zo’n 100-200 individuen. Deze toename bleek succesvol maar zorgde ook voor meer conflicten. Om de verandering in groepsdynamiek succesvol te houden moeten er regels zijn gevormd die ook moesten worden nageleefd. Een religie waarin een algemene moraal werd vastgesteld en waar één of meerdere imaginaire wezens het gedrag van elk individu in de groep in de gaten houdt is een aannemelijke verklaring om een in complexiteit toenemende groepsstructuur succesvol te houden. Religie is daarmee een vorm van adaptatie geweest en heeft bijgedragen aan de vorming van een ‘superorganisme’: de menselijke maatschappij.

Een tweede mogelijkheid is dat het ontstaan van religie is samengevallen met de expansie van onze hersenen en daarmee met bijvoorbeeld de ontwikkeling van taal, empathie en de mogelijkheid om abstracte gedachtes te vormen. Niet alleen verwierf de mens de capaciteit om complexe gereedschappen te bedenken en vervaardigen maar ook werd het belast met een hogere mate van bewustzijn en begreep het dat de meeste gevolgen een oorzaak hebben. Voor onverklaarbare natuurverschijnselen of ziektes werden goden uitgevonden en religie gaf het leven zin. Daarmee zijn goden en religie een bijkomend effect van de toename in cognitie.

God heeft een plek in de hersenen

Recent onderzoek lijkt de tweede theorie te ondersteunen. Door de hersenen met fMRI af te tasten is gezocht naar gebieden die zijn betrokken bij hoe gelovigen zich een voorstelling van god maken. Het blijkt dat god niet een speciaal plekje voor zichzelf heeft in de hersenen maar dat hij (of zij) zich bevindt op plekken die onder andere essentieel zijn voor sociale cognitie zoals empathie en het begrijpen en voorspellen van iemands bedoelingen. De resultaten suggereren volgens Jordan Grafman, één van de betrokken wetenschappers, dat de geïdentificeerde gebieden niet alleen belangrijk zijn geweest voor de ontwikkeling van een grotere mate van empathie of het verzinnen en inbeelden van gereedschappen maar ook de mogelijkheid hebben gecreëerd om een wezen te verzinnen en daarmee ook nog eens een relatie op te bouwen. Religie zou dus niet specifiek geëvolueerd zijn als adaptatie maar is een indirect gevolg van een toename in sociale cognitieve capaciteiten, een ongelukje dus.

Het interessante is dat afhankelijk van de mate en de plek van hersenschade in één van de geïdentificeerde gebieden zoals de rechter pariëtale kwab (die een rol speelt bij het integreren van zintuiglijke informatie en ruimtelijk denken) sommige mensen gevoeliger raken voor religieuze ervaringen en transcendentie. Schade aan een ander betrokken gebied, de temporale kwab, kan leiden tot een speciale vorm van epilepsie en het ervaren van religieuze openbaringen. Van Mozes en Mohammed wordt bijvoorbeeld gedacht dat ze leden aan temporale kwab epilepsie.

Weg met god?

In het gunstigste geval heeft het ontstaan van religie de mens dus tijdelijk evolutionair voordeel opgeleverd. Zo kan het katalysator geweest zijn van onze vooruitgang van holbewoners naar soort die zich overal ter wereld met succes heeft weten te vestigen. In dat geval zeg ik: “Chapeau! Maar het is nu wel mooi geweest.”. Religie is van sociale lijm tot kruitvat verworden. Het scheidt de mensheid meer dan het haar bindt. Religie is gebaseerd op een illusie die zijn oorsprong vindt in voorouders die het verschil nog niet kenden tussen een natuurverschijnsel en een teken van de goden. Met de kennis die we nu hebben is het duidelijk dat god en religie een verzinsel zijn van onze eigen hersenen. In de naam van tolerantie wordt religie in stand gehouden en dat gaat ten koste van humanistische waarden en gelijkheidsbeginselen. En dat, zo moge duidelijk zijn, is zeker niet evolutionair voordelig.

Dit stuk verscheen ook op Opiniepagina van de Volkskrantsite