wijnberg1

Ik lees “Nietzsche en Kant lezen de krant” van Rob Wijnberg. Het werd me aangeraden door een van mijn beta-vrienden. Zo iemand die, net als ik, houdt van wiskunde, van logisch redeneren en van echt begrijpen. Als hij het me niet had aangeraden zou ik het nooit zijn gaan lezen. Nietzsche en Kant. Ik weet niet eens waarom ze beroemd zijn. Bij filosofie denk ik vooral aan tig verschillende stromingen met ieder hun eigen termen en definities, zodat ik er al snel niets meer van begrijp. En kranten lezen doe ik eigenlijk ook weinig…

Maar goed. Mijn vooroordelen bleken natuurlijk niet te kloppen (anders zou ik dit nu niet schrijven). Wijnberg maakt zowel filosofie als de krant interessanter voor beta-mensen. In de eerste en een van de duidelijkste columns in het boek legt bijvoorbeeld uit waarom er zoiets als keuze-stress bestaat. Het is door allerlei onderzoeken bekend dat teveel keuze niet goed is. Studenten die kunnen kiezen uit 3 keuzevakken zijn tevredener dan studenten die de keuze hebben uit 100 keuzevakken. En klanten die uit 3 spijkerbroeken kunnen kiezen kopen eerder dan wanneer er 100 verschillende broeken in de winkel hangen. Wijnberg legt uit dat als het aantal mogelijkheden naar oneindig gaat (ja, dat vind ik leuk, dingen die naar oneindig gaan ;-)), dat dan de verschillen tussen de mogelijkheden naar nul gaan. En als er geen verschillen meer zijn, dan hebben we geen motivatie om te kiezen. Bijvoorbeeld: mijn vader had als katholieke boerenjongen de keuze tussen boer worden of priester. Hij koos voor priester (en deed later natuurlijk toch wat anders, anders zou ik dit nu niet schrijven). Ikzelf had later de keuze tussen alle universiteiten en hogescholen en alle studierichtingen in het land en koos, overigens zonder al te duidelijke motivatie, voor biologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Wat heeft keuze-stress met filosofie te maken? Volgens de filosoof Isaiah Berlin (die uiteraard geinspireerd werd door Kant) zijn er twee soorten vrijheid. Negatieve vrijheid betekent: er zijn geen obstakels. Ik had bij mijn studiekeuze dus veel negatieve vrijheid, mijn vader nogal weinig (hij kon bijvoorbeeld geen bioloog worden). Positieve vrijheid betekent dat je kan doen wat je wilt. Met de nadruk op echt willen. Mijn vader wilde veel liever priester worden dan boer, dus hij had positieve vrijheid om te doen wat hij echt wilde. Ik wilde niet perse bioloog worden. Ik had architectuur of geologie ook best OK gevonden. Bij mij was er dus niet zoveel echt willen. Ik had weinig positieve vrijheid. Als we weinig positieve vrijheid hebben krijgen we last van keuze-stress.

Het boek van Wijnberg gaat verder over thema’s zoals identiteit, vrijheid van meningsuiting en Wilders. Erg interessant vond ik de stukken die erover gaan of er wel of niet een objectieve waarheid bestaat, en wat er gebeurt als we het geloof in een objectieve waarheid opgeven. Mede door het boek van Joris Luijendijk (Het zijn net mensen) lijkt iedereen in Nederland nu te twijfelen of journalisten ooit de waarheid kunnen vertellen. Diezelfde twijfel viel al eerder politici en wetenschappers ten deel. Denk maar aan de vaccinatie of de genmaïs discussie, waar voortdurend wordt beweerd dat de politici en de wetenschappers beinvloed worden door “de industrie” en dus niet te vertrouwen zijn. Het probleem is dat juist die politici/wetenschappers/journalisten gehoord worden die doen of ze met 100% zekerheid de waarheid kennen, maar als dan blijkt dat het niet klopt wordt daarna geen van de politici/wetenschappers/journalisten meer vertrouwd. Het is interessant om te lezen hoe we dit soort problemen kunnen bekijken vanuit de filosofie.

Conclusie: ik kan het boekje aanraden, ook (of misschien vooral) als de titel je in eerste instantie niet aanspreekt!