Ik ben op het congres van de European Society for Evolutionary Biology in Turijn. 1400 evolutiebiologen vertellen elkaar een week lang over hun laaste onderzoeksresultaten. De italiaans-amerikaans professor Pigliucci gaf een interessant praatje over de geschiedenis en huidige staat van de evolutie theorie. Hij stelt dat de theorie wel toe is aan een nieuwe versie, maar dat die nieuwe versie wel de vorige versies kan behouden als basis. Een paradigma verschuiving is niet nodig.

Evolutie 1.0
Volgens Pigliucci kunnen we de geschiedenis van de evolutietheorie zo samenvatten. Evolutietheorie 1.0 werd door Darwin geschreven, er zaten twee belangrijke ingrediënten in: gemeenschappelijke afstamming en natuurlijke selectie. Niet veel later schreven Wallace en Weissman versie 1.1. Zij zagen dat somatische en geslachtscellen gescheiden zijn, wat er met de somatische cellen gebeurt heeft geen invloed op onze kinderen. Daarmee konden ze de ideeën van Lamarck verwerpen. Evolutietheorie 1.1 was weliswaar beter dan 1.0, maar duidelijk nog incompleet, omdat het een theorie voor genetica miste.

Evolutie 2.0
Na de eeuwwisseling werden de wetten van Mendel herondekt en gecombineerd met de evolutietheorie. Het resultaat was Evolutietheorie 2.0, beter bekend als de moderne synthese. Het bekendste resultaat van de moderne synthese is misschien wel genetische drift. De moderne synthese hebben we vooral te danken aan wetenschappers die niet alleen bioloog, maar ook wiskundige waren. Fisher was bijvoorbeeld erg belangrijk voor de moderne synthese, en wordt nog steeds gezien als een van de grondleggers van de evolutiebiologie. Hij is echter ook bekend binnen de statistiek voor zijn werk aan maximum likelihood, anova tests, de Fisher exact test, en volgens Wikipedia heeft hij de term nul-hypothese bedacht.

Werk in de jaren ’30 en ’40 leverde nog een Evolutietheorie 2.1 op, de “volwassen” moderne synthese (mature modern synthesis). In 2.1 zitten onder andere ideeën over soortvorming, paleontologie en variatie in natuurlijke populaties. Dobzhansky bedacht bijvoorbeeld hoe natuurlijke selectie en mendelse genetica tot soortvorming konden leiden.

3.0?
Volgens Pigliucci is het inmiddels tijd geworden voor versie 3.0. Er is zoveel bedacht en ontdekt in de afgelopen decennia, dat het tijd is om te bedenken wat echt belangrijk is en waar de evolutiebiologie nu staat. Hij heeft ook een verlanglijstje voor 3.0, op dat lijst staan bijvoorbeeld: selectie op verschillende niveas (genen, cellen, families, groepen), evolvability (wat bepaalt hoe snel iets kan evolueren), epigenetica, culturele evolutie en ecologie.

Ingewikkeld
Het goeie (of saaie, dat is maar net hoe je het ziet) nieuws: we hoeven de oude versies niet weg te gooien, we hoeven niet opnieuw te beginnen. Wat Darwin, Wallace, Fisher en Dobzhansky hebben bedacht klopt nog steeds, in ieder geval voor een groot deel. Maar het blijkt verre van compleet, daarom hebben we 3.0 nodig. Jammergenoeg lijkt het er wel op dat 3.0 een stuk ingewikkelder wordt dan de eerdere versies. Misschien is het voor andere evolutiebiologen anders, maar voor mij is 3.0 nog behoorlijk onoverzichtelijk. Ik geloof echter ook dat dat nu eenmaal zo is in de wetenschap. Pas na afloop lijken de dingen duidelijk en logisch. Tegen de tijd dat we aan 3.1 werken hoop ik 3.0 te beheersen.