Op uitnodiging van de Volkskrant schreven Nadine Vastenhouw en Tim van Opijnen een essay over onderzoekers aan de Nederlandse universiteiten, het tenure-track systeem en de braindrain. Het stuk kon je afgelopen zaterdag 1 augustus vinden in de Intermezzo-bijlage van de Volkskrant. Heb je het gemist dan kan je alsnog het hele stuk hieronder vinden. We zijn benieuwd naar jullie reacties, meningen en andere ideeën.

De inkt op onze promotiebullen was nog nat toen we in oktober 2006 op het vliegtuig naar Boston stapten. Het was ons allebei gelukt postdoctorale posities te verwerven op topuniversiteiten aldaar. Tijdens een ‘postdoc’ wordt er van je verwacht dat je zelf je onderzoekslijn bedenkt, opzet en uitvoert en het is een pluspunt als je daarvoor je eigen fondsen regelt. Die fondsen hebben we. Nederland en Europa sponsoren ons buitenlands avontuur voor een deel in de hoop de we met nieuw opgedane kennis en ervaring terugkomen om de Nederlandse kenniseconomie te versterken. Maar die kans is niet groot. Nederland maakt het zijn wetenschappelijke talenten niet gemakkelijk terug te keren.

Voor wetenschappers is Boston een walhalla. Terwijl de stad met nog geen 600.000 inwoners kleiner is dan Amsterdam, zijn er maar liefst zeven gerenommeerde universiteiten gevestigd. In de bus kan het je overkomen dat je zomaar naast mensen zit van wie je tijdens je studie nog standaardwerken las en bij sportwedstrijden loop je onherroepelijk een Nobelprijswinnaar tegen het lijf.

Het was wel even wennen. We waren er tijdens onze promotie aan gewend geraakt om Engels te spreken en te schrijven maar het bleek toch andere koek om je in het dagelijks leven verstaanbaar te maken. En ook veel andere dingen zijn in Amerika steeds nèt even anders dan in Nederland. Maar inmiddels genieten we volop van alle mogelijkheden die Boston biedt. Het kan ook bijna niet anders. Er gaat geen dag voorbij of er komt een ‘big-shot’ een presentatie geven en door de aanwezigheid van een groot aantal biotech bedrijven, groot en klein, zijn de allernieuwste technieken altijd binnen handbereik. De grote mate van wetenschappelijke bedrijvigheid zorgt er ook voor dat samenwerkingen je bijna in de schoot worden geworpen. Je bent vaak maar ‘one handshake’ verwijderd van iemand die wèl weet hoe je die data analyseert of dat experiment doet.

Binnen een jaar of twee hopen we onze projecten met een aantal mooie publicaties op onze naam af te ronden. De vraag is wat doen we daarna? Gaan we terug naar Nederland, zoals onze geldschieters dat graag zouden zien?  Het vaderlandsgevoel dat er bij sommige Europese collega’s voor zorgt dat ze per se terug naar huis willen heeft bij ons nog niet de kop opgestoken. Wat wel een rol speelt is het gemis van de Europese cultuur, de manier van leven en natuurlijk familie en vrienden. En elke keer als we in Nederland zijn en door Amsterdam fietsen voelt dat toch wel heel eh… prettig Amsterdams. Maar wat zijn de afwegingen uit professioneel oogpunt?

Assistant professor
In de Verenigde Staten is de logische volgende stap een junior groepsleiderspositie: je promoveert, je doet een postdoc en dan solliciteer je voor een groepsleiderpositie als ‘assistant professor’. Dat is niet makkelijk. Er zijn veel meer mensen dan posities dus de competitie is moordend. Maar met een indrukwekkend CV en goede plannen voor de toekomst zijn er in ieder geval kansen.

Bijna elke universiteit in de VS heeft jaarlijks een sollicitatieronde waardoor een heel dynamische situatie ontstaat. Elk jaar worden er wel een paar talenten van de markt geplukt en die komen dan in een ‘tenure-track’ systeem terecht. Zij krijgen de kans hun eigen onderzoeksgroep op te zetten en gedurende vijf tot zeven jaar vooruitstrevend onderzoek te verrichten met hun eigen analisten, (promotie)studenten en postdocs. In die tijd gaan zij tot het gaatje, want hierna worden ze gewogen; zijn ze succesvol dan is er de kans om uiteindelijk door te groeien tot volwaardig professor, indien te licht bevonden moeten ze alsnog verdwijnen. Dat laatste is niet leuk, maar ze hebben een eerlijke kans gehad.

Al jaren wordt in Europa (en zo ook in Nederland) gesproken over de braindrain. Veel jonge Europese onderzoekers zitten, net als wij, in de VS met Europees geld. Europa wil, logischerwijs, heel graag dat deze jonge wetenschappers – in wie zij geld hebben gestoken – weer terugkomen om deze investering aan Europa ten goede te laten komen. Veel van hen willen dat ook heel graag, maar zijn weinig hoopvol over hun kansen in Europa. Ook de heel goede mensen. Dat moet de politiek toch aan het denken zetten. Ergens gaat er iets mis.

In Nederland zijn een paar plekken waar een systeem gehanteerd wordt dat lijkt op het Amerikaanse. Onderzoeksinstituten als het Hubrecht Laboratorium in Utrecht, het Nederlands Kanker Instituut in Amsterdam en het Nijmegen Centre for Molecular Life Sciences hanteren het tenure-track systeem en de Rijksuniversiteit Groningen heeft een programma speciaal voor vrouwen. Er wordt verder in Nederland hier en daar wat geëxperimenteerd met tenure-tracks maar normaal gesproken komen er op universiteiten vooral plekken beschikbaar als een zittende professor er de brui aan geeft of overlijdt. Dan wordt de universitair hoofddocent professor, de universitair docent wordt universitair hoofddocent en zo is er dan onderin de hiërarchie plek voor een nieuwe universitair docent binnen de onderzoeksgroep van de hoogleraar. Dat klinkt weinig dynamisch, en dat is het ook.

De paar plekken die vrijkomen in Nederland, lijken voor mensen die een paar jaar in het buitenland zijn gaan werken, vrijwel onbereikbaar. Je bent er een beetje uit lijkt het wel. Dat geldt nog niet eens zo zeer voor je eigen bekendheid. Het internationale karakter van de wetenschap zorgt ervoor dat als je het ergens op de wereld goed doet, men daar ook in Nederland wel achterkomt. Het probleem zit ‘m meer in het nooit ‘op het juiste moment op de juiste plek’ zijn als je in het buitenland zit. En dat is vooral op de Nederlandse universiteiten niet onbelangrijk als je erachter wil komen waar er plekken vrij gaan komen en naar welke kennis en ervaring men precies op zoek is.

Netwerk
De weinig dynamische arbeidsmarkt en het belang van je ‘binnen het netwerk bevinden’ om kans op een baan te maken spelen niet alleen in Nederland maar zijn, zoals we vernemen van onze Europese collega’s hier in de VS, in veel landen in Europa een probleem voor jonge wetenschappers. Net zoals in Nederland zijn er in elk land wel een paar positieve uitzonderingen. Vaak zijn dat echter onafhankelijke onderzoeksinstituten. En die zijn dun gezaaid. De universiteiten blijven hopeloos ouderwets georganiseerd.

De oplossing ligt voor de hand. Om de braindrain daadwerkelijk een halt toe te roepen, moeten Nederland en Europa jonge wetenschappers een toekomstperspectief bieden. Zij verwachten niet direct een baan voor het leven maar staan te trappelen om zich te bewijzen met hun eigen onderzoeksgroep. Zijn ze niet succesvol dan hebben ze in ieder geval een kans gehad. Dit systeem is competitief en hard maar wel eerlijk. Het zorgt voor dynamiek in onderzoeksland en een constante instroom van vers bloed en nieuwe ideeën.

Voor nu lijken onze kansen groter in de Verenigde Staten; er worden meer plekken gecreëerd en de procedures zijn over het algemeen transparanter. Dat wil niet zeggen dat we het niet gaan proberen in Nederland of elders in Europa. We hopen vurig dat het tenure-track systeem ook de vastgeroeste universiteiten zal veroveren.