Omdat ik mijn werkveld wil veranderen van de evolutie van mieren naar de evolutie van HIV lees ik alles wat ik in mijn handen krijg over HIV/AIDS. Eigenlijk ben ik vooral geinteresseerd in de evolutie van het virus, maar de epidemiologie en de sociaal-culturele en politieke kanten van de HIV/AIDS epidemie zijn ook erg interessant (bovendien schrijven geschiedkundigen en journalisten meestal betere boeken dan biologen). Ik heb net “The Epidemic” gelezen van Jonathan Engel. Het is uit 2006 en vertelt de geschiedenis van de HIV/AIDS epidemie vanaf de eerste verdachte ziektebeelden bij homo’s in 1981 in de VS tot het moment dat Bill Gates besluit geld te gaan besteden aan het bestrijden van HIV/AIDS.

Het verloop van de epidemie is een interessant verhaal. Engel vertelt over de homo’s* in San Francisco en New York, over het al dan niet sluiten van de badhuizen waar onveilige anonieme sex het virus verspreidde (de meeste homo’s waren tegen) en het ontstaan van (homo) organisaties die HIV patienten hielpen. Het boek vertelt ook over de drugsverslaafden die geen geld hebben voor schone naalden, en over politici die geen schone naalden willen uitdelen omdat het dan zou lijken of ze drugsgebruik goedkeurden.

Nieuw voor mij was de discussie rond het “iedereen kan het krijgen”-dogma. In de VS waren (en zijn, denk ik) bijna alle HIV patienten homo of drugsverslaafd of de partner van een drugsverslaafde. Voor de Amerikanen die niet tot een van de risicogroepen behoorde was het risico HIV te krijgen heel klein. Toch herhaalden politici, activisten en artsen steeds dat iedereen het kon krijgen. Eerst was het nog niet duidelijk of de epidemie ook naar de hetero-bevolking zou overslaan, maar zelfs toen het duidelijk werd dat hetero’s echt weinig risico liepen hield men vast aan het “iedereen kan het krijgen”-dogma. Omdat het politiek correct was dat te zeggen, om homo’s niet te stigmatiseren, om te lobbyen voor meer geld voor onderzoek enzovoorts. Soms werkte het averechts en leidde het juist tot anti-homo of anti-AIDS-lobby sentimenten.

Maar volledige openheid over wie het meeste risico loopt is misschien ook niet altijd gewenst. Ik bedoel, hoe eerlijk of duidelijk kan een “veilige sex” campagne zijn? Je kan toch moeilijk folders maken met de text: “Gebruik altijd een condoom! Vooral als je homo bent! En helemaal als je vriendje drugs spuit! Als je hetero bent en in een dorp woont is het niet zo nodig.”

Het eerste deel van het boek gaat vooral over de VS, daarna besteedt het ook aandacht aan de epidemie in Afrika en Azië. Het is interessant te lezen hoe de verschillende overheden met HIV/AIDS omgaan. De Thaïse en de Ugandeze regering blijken opener en pragmatischer dan de rest van Azië en Afrika. Zo ging een Thaïse senator de bordelen langs om condooms uit te delen en uit te leggen hoe ze werken. Het boek vertelt van de komst van de combinatie therapie en het begin van goedkopere merkloze medicijnen in Brazilië en India. De strijd om patenten en generieke medicijnen wordt in het boek niet zo uitgebreid beschreven (het gaat tenslotte om de epidemie, en niet om de medicijnen), daarover moet ik toch nog eens een ander boek lezen.

* In de wereld van het medisch en biologisch onderzoek wordt er overigens nooit over homo’s gepraat maar over MSM, “mannen die sex hebben met mannen”. Dat klinkt misschien omslachtig, maar is correcter. Voor het risico op HIV, gaat het erom of een man sex heeft met mannen en niet of hij zichzelf homo, hetero of bi noemt.