Goed, we weten dat HIV ons afweersysteem platlegt. Door de zogenaamde CD4 T-cellen te doden stort deze afweer in en gaat een AIDS-patiënt dood aan secundaire ziektes zoals tuberculose en longontsteking. Gelukkig kunnen we de vermenigvuldiging van het virus nu redelijk goed onder controle houden.

Het nadeel is natuurlijk dat je je hele leven lang medicijnen slikt die ernstige bijwerkingen kunnen hebben. Bijvoorbeeld: uitval van leverfuncties, huiduitslag, insomnia, misselijkheid, mentale problemen en herverdeling van vet op het lichaam (lipodystrophy syndrome).

Al meteen na de introductie van de medicijnencocktail in de jaren ‘90 werd er hoopvol gespeculeerd over de mogelijkheid deze therapie te stoppen na 10, 20 jaar. Immers: als het virus zichzelf niet meer vermenigvuldigt, dan moet na verloop van tijd HIV toch verdwijnen uit je lichaam? De cellen waarin het zit hebben namelijk een beperkte houdbaarheid.

Niets bleek minder waar. Ten eerste repliceert het virus heel langzaam in de achtergrond; in studies met therapie-stop bleek dat het virus na 2 weken weer de kop opstak. Ten tweede kan HIV zichzelf verstoppen in langlevende, rustende T-cellen. Het virus repliceert dan niet (ten eerste door de therapie, maar ook omdat het in een rustende cel zit: dat onderdrukt HIV vermenigvuldiging). Die T-cellen leven soms wel 40 jaar (je moet immers levenslange immuniteit behouden). Als zo’n T-cel dan geactiveerd wordt door een terugkerende ziekteverwekker zoals waterpokken, dan wordt HIV ook weer geactiveerd. Dit heet in het Engels ‘latency’.

Het nieuwe buzz-woord is daarom tegenwoordig: ‘eradicate latency’. Ook op het HIV-congres waar ik afgelopen maart was konden ze er geen genoeg van krijgen: hoe kunnen we deze latente virussen uit het lichaam krijgen zodat we mensen echt kunnen genezen van een HIV infectie?

Maar hoe doe je dat? Een latent aanwezig virus moet geactiveerd worden. Dat kan je doen door de cel waarin het zit te activeren (dus van rustende T-cel naar actieve T-cel). Het virus doodt dan die cel. Als je dan tegelijkertijd zware anti-HIV medicijnen neemt, kan het virus zich niet verder verspreiden en blijft het bij die ene cel.

Helaas is de werkelijkheid niet zo simpel. Je kan niet zomaar alle T-cellen in je lichaam activeren (dat is niet gezond). Studies waarbij HIV patiënten T-cel-stimulerende middelen kregen hebben ook uitgewezen dat dit niet voldoende is om HIV uit te roeien: al die nieuw-geactiveerde T-cellen bleken dankbare nieuwe doelwitten voor HIV te zijn. Van de regen in de drup dus.

De truc is om het (humane) DNA dat net voor en achter het virus DNA zit te ontvouwen, zodat specifiek het virus wordt geactiveerd, maar niet de hele cel. De cel gaat dood door HIV vermenigvuldiging, maar daar stopt het dan. Deze maand staat in PLoS Pathogens een artikel hierover. De auteurs hebben d.m.v een grootschalige zoektocht (screen) een enzym geïdentificeerd dat betrokken is bij de methylering van DNA in de buurt van HIV (dat betekent dat dat enzym als het ware een slotje op het DNA zet (methyl-groep), zodat het niet actief is). Als je dat enzym remt, wordt het ‘slotje’ verwijdert en kan het virus zichzelf repliceren.

Dit is maar 1 studie van vele die HIV latency onderzoeken. Sommige andere studies hebben zelfs toediening van zulke remmers aan patiënten onderzocht (tot dusver onsuccesvol). Daarnaast zal het remmen van zulke enzymen in mensen ook echt wel bijwerkingen hebben. Maar al deze studies vormen wel een begin… Wie weet kan je over 20 jaar een weekje naar een kliniek om onder medisch toezicht een keur aan remmers te slikken zodat je het virus uit kan roeien. Science fiction? We zullen zien.