Wetenschappers leven bij de gratie van hun gepubliceerde artikelen. Misschien dacht je dat het allemaal om de pure en nobele wetenschap draait, het verrichten van experimenten en het vinden van een verklaring voor alles. Maar dat is een grote misconceptie. Het gaat allemaal om het publiceren van zo veel mogelijk wetenschappelijke artikelen in de bladen met de hoogste aanzien, zoals Nature en Science. Want wie publiceert die bestaat en wie bestaat die maakt kans op onderzoeksgeld om z’n bestaan te rekken.

Dat klink misschien wat cynisch (dat ben ik niet hoor), ik zou ook niet goed weten hoe het anders moet.

Terug naar het publicatieproces en mijn punt: publiceren is zenuwslopend. Laten we aannemen dat de experimenten zijn gedaan en het artikel is geschreven. Dan begint het pas. Je stuurt het artikel naar een mogelijk geschikt blad. Hoe beter het blad hoe lager de kans dat de redactie het geschikt vindt om door te sturen voor “peer-review”.

Peer-review is een systeem waarmee je collega’s anoniem advies geven aan het desbetreffende blad. Zij geven aan of er meer experimenten of andere analyses moeten worden uitgevoerd, of dat bepaalde redeneringen beter moeten worden uitgelegd. Het belangrijkste is dat ze het blad adviseren of het artikel geschikt is voor publicatie. Het hele proces is daardoor zeer persoonlijk. Je doet soms jaren onderzoek om het vervolgens op een ‘achteraf-middagje’ door een collega die met zijn/haar verkeerde been uit bed is gestapt volledig te laten affakkelen.

Ik zit op dit moment midden in dat proces en wacht met knikkende knieën op de rapporten van mijn anonieme collega’s. Nog minstens 2-3 weken wachten. Oef…