Iedereen mist meer dan een duizendste van zijn DNA. Dat was de centrale boodschap van mijn presentatie op Bessensap, afgelopen maandag. Ik was een van de gelukkigen die op deze jaarlijkse ontmoeting tussen wetenschap en pers zijn verhaal mocht doen. Bart Braun - genomineerde voor de Eureka-boekenprijs – en ex-Volkskrant-columnist Hans van Maanen waren er ook.

Na afloop van mijn praatje schoot ik hen aan. Dat ik vereerd was met hun aanwezigheid bij mijn presentatie, zei ik. En of zij er een verhaal in zagen. Dat is namelijk het leuke van Bessensap: je ontmoet er échte journalisten, die jouw wetenschap zomaar in een mooi achtergrondartikel kunnen omtoveren. Als ze willen. Braun vond het een goed verhaal, en zou ermee de boer op gaan. Van Maanen twijfelde nog, en dat verbaasde mij.

Het is namelijk niet niks, een duizendste. Het betekent dat er zo’n 6 miljoen nucleotiden (schattingen lopen van 4,5 tot 12,5 miljoen) ontbreken. Dat grote aantal is de som van stukken DNA – in lengste variërend van 1000 tot 1.000.000 nucleotiden – die de meeste mensen wel hebben, maar sommigen niet. We noemen deze stukken deleties, en ze vormen een onderdeel van wat we structurele (= effect hebbende op de genoomstructuur) variatie op het genoom noemen. Mijn collega’s en ik hebben al eerder laten zien dat structurele variatie soms kan leiden tot schizofrenie. Andere wetenschappers zagen hetzelfde voor andere ziekten, zoals autisme en ADHD. Dat dit slechts de eerste stapjes zijn van een onderzoeksveld in babykousjes (structurele variatie kunnen we pas sinds 2004 op grote schaal onderzoeken), moge duidelijke zijn. Dat we dus niet precies weten wat de functie is van die missende stukken, is dan niet verwonderlijk.

Toch was dat de voornaamste kritiek van aanwezige journalisten. Dat we niets kunnen zeggen over het gevolg van deleties. Dat we niet weten of ons genoom misschien compenseert voor de missende stukken. Dat het daarom geen nieuws is. Maar moet het onderzoek dan volledig uitgedokterd en dichtgetimmerd zijn om het nieuws te maken? En waarom buitelt iedereen dan over elkaar om professor Leenders te villen, die in een plenaire discussie beweert dat wetenschappers pas met de pers mogen praten als ze helemaal 100% zeker zijn van hun zaak? Natuurlijk heeft Leenders ongelijk, maar wetenschappers die vroeg naar buiten treden, moeten aangemoedigd, niet ontmoedigd worden. Nieuws of een beetje nieuws, wetenschap leunt op vootschrijdend inzicht, niet op spectaculaire doorbraken. Na Bessensap weten journalisten dat ook.