MierenmoordAl jaren hielden Professor Susanne Foitzik en haar studenten Amerikaanse slavenhoudende mieren in het lab. Maar om een of andere reden deden de nesten het nooit echt goed. De slavenhouders legden wel eitjes, en de slaven (mieren van een andere soort) zorgen voor de eitjes en daarna de larven, maar ergens in het popstadium ging het mis. De meeste larven werden nog tot pop, maar gingen daarna op onverklaarbare wijze dood. De nesten bleven klein. Susanne dacht dat het aan de klimaatkamers lag, of misschien aan het voer.

Een van Susanne’s studenten besloot eens een zomer lang precies te kijken wanneer en waarom de diertjes stierven. Tientallen nesten met slavenhouders en slaven bekeek ze. Iedere dag, ieder nest. Ook keek ze naar nesten waar de slaven-soort alleen leefde, als vrije kolonie met eigen koningin. De werksters van de slavensoort zorgen in het ene geval voor jongen van hun eigen soort en in het andere geval voor jongen van de slavenhouders. (Je kunt t je zo voorstellen: koeien kunnen voor ons of voor hun eigen jongen melk produceren, zo is het bij deze mieren ook, ze kunnen vrij leven in hun eigen nest, of, als ze als ei gestolen zijn, bij de slavenhouders leven, in beide gevallen doen ze ‘t zelfde werk)

Wat bleek? De werksters van de slavensoort konden prima voor hun eigen broed zorgen. Maar als ze voor andermans jongen moesten zorgen, ging meer dan de helft van de jongen dood. Een paar keer werden de werksters zelfs op heterdaad betrapt! Als de slavenhouder koningin uit de buurt was, vielen ze de jongen aan of ze maakten ze kapot. Het raadsel van de kleine nesten was plotseling opgelost. De poppen werden simpelweg vermoord door de slaven en daardoor groeiden de nesten niet of nauwelijks.

Moord in het mierennest, de witte mier in het midden is een slavenhouder pop die vermoord wordt. Moord in het mierennest, de witte mier in het midden is een slavenhouder pop die vermoord wordt.

Een lijk, een verdachte, maar geen motief.
Voor ons lijkt het misschien logisch, dat de slaven geen zin hebben om voor jongen van een andere soort te zorgen. Maar evolutionair gezien is het helemaal niet zo logisch. Het dogma was namelijk lange tijd: slaven zijn evolutionair gezien dood. Ze zijn namelijk ver van hun nest, kunnen zich niet voortplanten, en ze kunnen ook hun koningin niet helpen. Een genetische verandering die ervoor zorgt dat slaven stoppen met werken of weglopen heeft dan ook geen kans zich te verspreiden omdat de slaven geen kinderen krijgen. Met andere woorden: er is geen selectie op gedrag van slaven, ze hebben geen evolutionair motief om wat ook te doen.

Echter, de mieren-onderzoekers die decennia geleden bedacht hadden dat het gedrag van slaven niet door selectie beinvloed kon worden waren niet zo creatief als de natuur. Door te stoppen met werken kan een slaaf zijn koningin inderdaad niet helpen. Maar door de slavenhouders te vermoorden wel degelijk. Een slavenhouder wiens slaven niet werken zal nieuwe slaven-eitjes gaan roven en dat is slecht voor de koningin van de slaaf. Maar een vermoorde slavenhouder kan geen eitjes stelen, dus een vermoorde slavenhouder is goed voor de koningin van de slaaf. En aangezien zij dezelfde genen draagt als de slaaf, kan een “moordgen” zich via haar verspreiden.

Of de koningin inderdaad voordeel heeft van moordende onderdanen is nog lang niet bewezen. Daar werken we nu aan (ik werk inmiddels met Susanne samen). Maar dat er gemoord wordt is wel duidelijk. Het onderzoek is gepubliceerd in het tijdschrift “Evolution”.

Een mierennest van de beschreven soorten in een eikel. De slavenhouder is Protomagnathus americanus, de slaven zijn verschillende soorten Temnothorax.